Ergens in de diepte van de tijd moeten Romeinse senatoren ook zo gezeten hebben: in marmeren zalen, met een schuin oog naar buiten, luisterend naar het gemor van een volk dat zich steeds luider afvroeg wat er misging. Alles stond nog overeind — de tempels, de aquaducten, de munten met trotse keizershoofden — maar het moreel was aan het rafelen. En wie goed keek, zag de scheuren al lopen. Barsten in het vernis van het machtige Romeinse Rijk.
Twee millennia later kijken we naar de Verenigde Staten en herkennen iets van datzelfde patroon: de echo van een rijk dat zichzelf ooit als onwankelbaar zag. Maar het probleem met grootmachten is dat hun kracht zelden van buitenaf gebroken wordt. Het is het binnenwerk dat het eerst kraakt. Het schuurt en wringt, tot het uiteindelijk ten onder gaat aan zijn eigen formaat. Rome tegen de periferie, kustelijke Blauwe Staten tegen landelijke Rode Staten.
De Amerikaanse supermacht lijkt op het eerste gezicht nog robuust. Het leger is immens, de technologie verbluffend, de economie gigantisch. En toch: er is iets ongrijpbaars dat schuurt. De breuklijnen lopen niet tussen staten, maar door families, straten, scholen en algoritmen heen. Plots is het belangrijk wat je over de moord op George Floyd vindt. Hoe je denkt over de Palestijnse zaak. Over wapenbezit en de meest recente shutdown van de Amerikaanse federale overheid,… Plots moet je over alles een mening hebben om een publieke identiteit te hebben. Een identiteit die je draagt in het openbaar, als een masker voor de vertwijfelde mens die je echt, diep vanbinnen, bent.
Het woord polarisatie klinkt te steriel voor wat er aan de hand is. Het is eerder een vorm van morele ontbinding: een samenleving waarin elk gesprek een identiteitsverklaring wordt, waarin meningen wapens zijn en feiten onderhandelbaar en simpelweg te negeren, waarin iedereen -of men het nu, in diens opperste menszijn, wil of niet- de ander als een vijand ziet.
Het Romeinse Rijk kende dat ook: een elite die zichzelf in stand hield via een steeds complexer netwerk van privileges, burgers die hun vertrouwen verloren in instituties, en keizers die liever applaus kregen dan advies. In onze tijd hebben we geen Caesar, maar wel mediaplatforms die functioneren als een keizerlijke menigte: grillig, luid, en verslaafd aan spektakel. Als het maar likes en clicks oplevert, nietwaar?
Republieken storten niet in door één grote klap, maar vergaan langzaam door verlies van vertrouwen — door het idee dat de regels niet meer voor iedereen gelden-. Die diagnose klinkt vandaag akelig herkenbaar. NIet alleen in de VS trouwens, ook Frankrijk lijkt die weg ingeslagen te zijn. Of neem Nederland, met zijn totale versnippering en meer dan twintig politieke partijen die deze week strijden voor de gunst van de kiezer!
Mensen die vroeger elkaars buren kenden, vormen nu digitale stammen. Politiek is niet langer een debat over beleid, maar over identiteit. We zijn niet meer wié we zijn, maar wát we zijn. Links of rechts, ecologisch of net niet, vegetariër of omnivoor, pacifist of Atlantist…
Het internet, dat ooit vrijheid beloofde, heeft zich ontpopt tot een echo-hal waar wantrouwen wordt gedestilleerd tot waarheid. De Amerikaanse droom — dat fragiele idee van zelfredzaamheid en collectieve vooruitgang — is vermoeid geraakt. Niet dood, maar uitgeput. Platgeslagen in het forum van meningen dat het internet heet. Leeggebloed op YouTubekanalen en internetfora en uitgemergeld op de servers van Discord.
Er is iets tragisch aan: een natie die zichzelf voortdurend heruitvindt, maar nu lijkt te vergeten waarom ze dat deed. Zoals de Romeinen hun mos maiorum — de oude zeden — vergaten, zo dreigt de VS haar mythologie van optimisme te verliezen. Hun identiteit als sociale melting pot kan tegenwoordig eveneens op de schop. Iedere etnie in zijn eigen hoekje, in hun eigen wijk of stadsdeel.
Toch is het te gemakkelijk om vanop afstand te glimlachen en te zeggen: “Zie je wel, het rijk valt.” Want elk rijk is een spiegel. De Amerikaanse crisis is niet enkel een Amerikaans probleem, maar een symptoom van onze tijd: het onvermogen om nog een gedeelde realiteit te onderhouden. Kijk naar de verkiezingen in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland. En ja, waarom niet, naar die in Vlaanderen?
Het internet heeft ons allen tot burgers van een rijk gemaakt zonder grenzen, maar ook zonder moreel en geografisch centrum. We staan allen in het midden van ons eigen, kleine keizerrijkje. Misschien is dát het echte verval: niet dat het rijk ten onder gaat, maar dat niemand meer weet waar het eigenlijk begint of eindigt. Of wat de gangbare regels van fatsoen (horen te) zijn?
Misschien hoeven rijken niet altijd te vallen. Soms veranderen ze gewoon van vorm, lossen ze op als zout in water. Wat overblijft is invloed, cultuur, taal — en een les: dat macht zonder samenhang niets betekent.
De Romeinen hadden hun pleinen, wij hebben onze schermen. En ergens in de gloed van dat blauwe licht, zitten we te kijken naar de herhaling van een oud verhaal. Alleen de acteurs zijn anders.
Afbeelding: Microsoft Copilot
Lees ook: Waarom is Gen Z zo vatbaar voor politiek geweld?

