Vissersvrouwen

Dit bericht is deel 1 van 4 in de reeks De visserij

Vis zit in mijn bloed. Ik ben erin opgegroeid. Mijn grootvader aan vaders kant was visser en mijn ouders hadden een viswinkel; die eigenlijk begon met een kar op de kaai. In de vakantie ging ik soms mee naar de visveiling met mijn pa en kon elke soort vis benoemen voor ik kon lopen. Maar de visserswereld is me vreemd. Daarom ben ik, nadat ik die blog over de visserijopstand had gepost, naar de bibliotheek gegaan om wat meer te lezen over de visserij.

Het vissersleven is hard, koud en nat, maar bovenal gevaarlijk. Het is een eenzaam bestaan: lange dagen op zee, weg van huis en van vrouw en kind. Altijd is er die onzekerheid: zal er genoeg vis zijn? Zal het weer meevallen, of steekt er storm op?  Tegenwoordig is het iets beter en veiliger geworden. De schepen zijn uitgerust met moderne technologie: computers, navigatieapparatuur en gedetailleerde kaarten van het vaargebied. Zo kennen we de mannen die uitvaren.

Maar ook voor wie aan wal wacht is het een zwaar leven. De vrouw staat er alleen voor, met het huishouden, de kinderen en het wachten. Elke stormnacht houdt ze haar hart vast en even de adem in. Zij kent de zee even goed als hij: de geur van het zout, het geluid van de wind, en de angst die nooit helemaal verdwijnt. De mannen zijn vaak wekenlang op zee en laten alle dagelijkse beslommeringen achter aan wal. Veel vrouwen wuiven hun man uit bij het vertrek, maar sommigen kunnen het afscheid niet aan en blijven thuis. Er is geen contact mogelijk met de mannen, zij moeten het huishouden zelf beredderen, beslissingen nemen over de kinderen, en het leven gaande houden. De meesten hadden geen job buitenshuis en leefden vrij geïsoleerd. Daarom woonden ze meestal dicht bij familie of andere vissersvrouwen. Binnen de vissersgemeenschap vormden ze een hechte groep, altijd bereid om elkaar te helpen.

Het enige nieuws van de mannen kwam via “Oostende Radio”. De vissers konden korte berichten doorsturen via de scheepsradio, die dan werden uitgezonden: “Alles is in orde”, “We vangen veel vis”, of “We zijn op de terugweg.”  Thuis zaten ze dan op afgesproken uren aan de radio gekluisterd om toch geen bericht te missen. Zelf konden ze niet antwoorden, enkel luisteren, maar zo wisten ze toch dat die dag alles in orde was. Om een dringende boodschap door te geven, kon een bericht via de rederij naar het schip gestuurd worden. Vandaag is dat natuurlijk allemaal anders, op de schepen is er nu internet en gsm-verbinding. De afstand blijft, maar het zwijgen is doorbroken.

De vissersmicrobe wordt doorgegeven van vader op zoon. Veel ouders hopen dat hun zoon een ander pad kiest, maar het zit in hun bloed. De zee roept, en ze kiezen toch voor dat harde, onzekere leven. Ook veel meisjes kozen een lief die op de visserijschool zat of al scheepsjongen was. In vissersmilieus werd het vroeger zelfs aangemoedigd dat meisjes verkering kregen met een visser. De vader werkte op een schip, en de jongste matroos, een goede werker, werd aan zijn dochter voorgesteld. Of een broer koppelde zijn zus aan zijn beste vriend. Zo bleef alles “in de familie”.

Toch wisten de meisjes maar al te goed hoe eenzaam het leven kon zijn. Hoe vaak ze alleen zouden zijn, hoe sterk en zelfstandig ze moesten worden. Maar het hart laat zich niet sturen. Liefde weegt soms zwaarder dan verstand. Na de verkering trouwden ze, maar na het huwelijk was er geen sprake van lange wittebroodsweken. Een weekje samen thuis of een huwelijksreisje zat er niet in. Na enkele dagen lag het pasgetrouwde vrouwtje alleen in bed, en de visser alleen in zijn kooi, ergens ver op zee.

Veel meisjes dachten te weten wat hen te wachten stond, maar werden toch op een harde manier met de werkelijkheid geconfronteerd. De eenzaamheid en het alleen zijn wogen zwaar door. Zoals alles verandert, is ook dat leven geëvolueerd. Tegenwoordig hebben veel vrouwen een parttime job of doen ze vrijwilligerswerk. Zo komen ze meer onder de mensen en hebben ze opnieuw sociaal contact, iets wat de vrouwen vroeger zo vaak moesten missen. Voor zoveel staan ze alleen, de geboorte van een kind, een feest of een voordracht van zoon of dochter op school. Een ziek kind of sterfgeval. De visser zit op zee en kan niet veel doen. Het enige wat hij weet is dat zijn vrouw haar plan wel trekt.

Het hoeft niet gezegd dat de thuiskomst altijd een feest is. Ze staat te wachten op de kaai, klaar om haar man met open armen te begroeten. Hij is veilig. Hij is thuis. Voor drie of vier dagen is hij weer van haar. Maar voor sommigen voelt het vreemd, alsof er plots een indringer in huis staat. Na weken alleen te leven, is het niet vanzelfsprekend om zich opnieuw aan te passen.

Veel vissers trekken zich, eenmaal thuis, weinig aan van de dagelijkse dingen. Ze doet alles weer zelf, uit gewoonte. Toch betekent dat niet dat hij geen respect heeft voor haar. Want diep vanbinnen weet hij: zonder zijn vrouwtje zou hij nergens zijn.

De panger, pluizak en poaie

Daags voor de visser weer vertrekt, op één van zijn lange reizen, moet er nog het één en ander geregeld worden. Zijn “pluizak” moet worden klaargemaakt. In die zak gaan verse kleren: een “schabbe” (een soort boerenkiel), een broek, sokken en ondergoed. Niet dat ze aan boord vaak van kleren wisselen, want vissers werken en slapen meestal dagen na elkaar in dezelfde plunje. Als ze al eens een paar uur kunnen slapen, kruipen ze met kleren en al in hun kooi. Pas wanneer ze aan land komen, kunnen ze zich eens douchen.

Vaak maken ze dubbele of driedubbele reizen en leggen ze tussendoor aan in een vreemde haven: in Engeland, Frankrijk of Denemarken. Daar gaat de vis in containers, en met vrachtwagens wordt die naar België gebracht. Zo verliezen ze geen tijd met heen en weer varen en besparen ze op mazout. Tegenwoordig varen bijna alle vissers volgens dat systeem. Vroeger kwamen ze meestal na een dag of tien naar huis, of legden ze uitzonderlijk aan in Engeland, waar de vis dan werd geveild.

In zijn “panger”, een metalen korf met twee deksels, tegenwoordig vaak vervangen door een plastieken exemplaar, steekt de visser snoep, sigaretten en wat extra eten voor zichzelf. De “panger” wordt bij aankomst gebruikt om een deel verse vis in te steken. Die vis is dan voor thuis en word vaak verdeeld onder de familie. Of in harde tijden werd die vis verkocht om een extra centje te verdienen. Het gemeenschappelijke voedsel, de roef, wordt aangekocht door de rederij. Meestal is het de stuurman die daarvoor zorgt.

Tot het begin van de vorige eeuw, en zelfs nog tot in de jaren zestig, leefden vele vissersgezinnen in armoede. Niet dat de vangst slecht was, maar de rederij ging met de grote winst lopen en de visser zelf werd onderbetaald. Sommigen hielden het dan ook voor bekeken en gingen werken bij het loodswezen of op de maalboot, de veerdienst tussen Oostende en Engeland. Om het gezinsinkomen wat te verhogen, gebeurde het vaak dat jongens vanaf hun veertiende al meegingen aan boord als “joengesje”(scheepsjongen), meestal onder het goedkeurend oog van hun vader of oudere broer. Vroeger was het de gewoonte dat de vader zijn zoons ronselde om mee aan boord te werken. De bemanning bestond vaak volledig uit familieleden: vader, zonen, broers, neven… Wat een ramp was het dan wanneer een schip verging , een hele familie kon in één klap worden weggeveegd. Nu is dat niet langer het geval. De vissers gaan werken op een ander schip van de rederij, en de bemanning bestaat zelden nog uitsluitend uit familie.

De hoge mazoutprijzen, de opgelegde quota en de grootte van de vangst spelen een belangrijke rol in de verdiensten van zowel rederij als bemanning. Het loon van de visser hangt af van wat er gevangen wordt. Dat loon, in de visserij “poaie” genoemd, is namelijk een percentage van het bruto-inkomen. Dat percentage wordt vooraf afgesproken met de rederij en nadien verdeeld volgens rang aan boord. De schipper, die veel verantwoordelijkheid draagt, krijgt uiteraard meer dan de scheepsjongen. De poaie was dus zeer wisselvallig en kon aanleiding geven tot grote financiële problemen.

Na elke zeereis werd de “poaie” uitbetaald, van hand tot hand door de reder in de bureau of in de visserskas op de kaai. Bovenop de”poaie” kreeg de visser nog “drienkgeld” ( drinkgeld), een extra bedrag voor de visser zelf omdat hij zolang  van huis is geweest. Dit gebruik stamt uit de tijd dat de vissers toch iets voor zichzelf wilde omdat de poaie bestemd was voor het gezin. Dit kan een percentage zijn van hun loon of en percentage van wat ze gevangen hebben bovenop de vis: de opbrengst van de verkoop van krab, kreeft of wulken. Tegenwoordig word alles op de rekening gestort. Gelukkig hebben vissers nu een gewaarborgd minimumloon, en wanneer ze bij slecht weer niet kunnen uitvaren, kunnen ze “doppen”(stempelen).

Foto: SprekendeGeschiedenis.nl


Mo Verbiest

Mo Verbiest

Morag Verbiest wordt Mo of Mootje genoemd omdat bijna niemand haar naam juist uitspreekt. Ze is geboren en getogen in Oostende sinds meer dan een halve eeuw. Meer over Mo Verbiest

De visserij

Ruige getatoeëerde mannen

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief
van Mo Verbiest

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.