Ruige getatoeëerde mannen

Dit bericht is deel 2 van 3 in de reeks De visserij

De visserij heeft bij sommigen een slechte naam. Men ziet het als een kliekje mannen, gehard door het ruige leven en de zee. Ze spreken hun eigen dialect, “’t koajs”, zijn vaak zwaar getatoeëerd en dragen een ringetje in hun oor.

Alles stamt uit vroegere tijden en is gegroeid uit noodzaak. Vissers droegen een gouden ring in hun oor, soms gegraveerd met hun naam en geboortedatum. Dit droeg hij ter herkenning, mocht hij op zee blijven, en opdat men met de opbrengst van dit sieraad een fatsoenlijke begrafenis kon bekostigen. Eigenlijk ligt daarin ook de oorsprong van de tatoeages. Wanneer er iets op zee gebeurde en een lichaam aanspoelde, kon men dankzij de tatoeages gemakkelijker achterhalen wie het was. Wanneer een visser een tatoeage had, werd die ook vermeld in zijn “moensterboek” (monsterboek). Naast vingerafdrukken, haar- en oogkleur was daar een speciaal vakje voor voorzien. Nu staan al die gegevens natuurlijk online en is identificatie een stuk eenvoudiger. Een tatoeage is een traditie geworden. Sommigen koesteren die nog altijd, anderen laten het liever, meestal omdat hun vrouw er niet mee kan lachen.

Een visser drinkt graag een “teugsje” (een drankje) en blijft dan al eens plakken op café. In de oude tijd kregen de vissers hun drinkgeld uitbetaald door de reder zelf, en vaak gebeurde dat in een café dat door diezelfde reder werd uitgebaat. Het probleem was dat ze hun drinkgeld meestal meteen opdronken. Iedereen trakteerde een rondje, en voor ze het wisten, was het geld op. Begrijpelijk ook: na al die weken op zee hadden de mannen behoefte aan gezelschap, wat ander volk om zich heen en een beetje bijpraten. Vissers worden vaak aanzien als dronkaards, maar in werkelijkheid hadden ze wekenlang geen druppel aangeraakt, want aan boord word niet gedronken.

Het geloof in voortekens, en daarmee gingen heel wat taboes gepaard, is sterk aanwezig in het vissersmilieu.  Zowel aan wal als op zee waren er dingen die absoluut verboden waren. Men voer bijvoorbeeld niet uit als er een pastoor of een zwarte kat op de kaai te zien was, dat bracht ongeluk. Ook de wens “ik wens je een goede reis” werd als een slecht teken beschouwd, want dat voorspelde een slechte vangst. Bepaalde dingen mochten niet aan boord komen. Zo werd “zoetekoeke” (peperkoek) geweerd, omdat men geloofde dat de netten zouden scheuren. Ook kleuren speelden een grote rol: veel schippers verboden om iets in groen of rood mee te brengen. Een rode muts of groene trui werd zonder pardon overboord gegooid.

Een vrouw aan boord was één van de grootste taboes, want dat bracht ongeluk. Opmerkelijk genoeg gold dat niet voor prostituees: een “hoertje” aan boord voorspelde net een goede vangst. Tegenwoordig is dat bijgeloof verdwenen. Sommige vrouwen gaan nu zelfs aan boord om de kooi (bed) op te maken of zijn gerief in zijn kastje te steken. Of ze reizen hun man achterna naar Engeland wanneer de vissers daar aanleggen om te lossen en slapen dan een nachtje aan boord. Geluk kon men dan weer afdwingen met kleine heiligbeeldjes van lood, die vissers in hun zak droegen als bescherming op zee. Ook het gebruik van een lapnaam (bijnaam) diende als bescherming. Met een bijnaam kon de zeeduivel je niet herkennen, en bleef je veilig aan boord. Die lapnamen verwezen vaak naar iemands uiterlijk of een bepaalde gewoonte: Schele Eddy, De Rosten, Pette Klakke (omdat hij altijd een pet droeg)…

Zoals alles is ook dat bijgeloof stilaan verdwenen, of beter gezegd, afgezwakt. En met het verdwijnen van dat geloof, verdwenen ook de lapnamen uit het vissersleven.

Viswuven en de vistrap

Niet alle vissers varen voor een rederij. Sommigen hebben een eigen boot. Die doen geen verre reizen en zijn dus ook geen weken weg. Een eigen boot is de droom van veel vissers. Je bent je eigen baas, bepaalt zelf wanneer je uitvaart, en als het ruim vol zit, keer je naar huis terug. Soms zijn ze maar een paar dagen weg. Het varen is de job van de man, maar al wat erbij komt kijken is soms voor zijn vrouw: het papierwerk, het bestellen van de camion, de controle bij het lossen in de vismijn en de facturatie. Ook de schoonmaak van de boot, de aankoop van “de roef” ( proviand ) en de uitbetaling van de lonen vallen vaak onder haar taken.

En dan zijn er nog de kustvissers. Zij vertrekken ’s avonds en zijn ’s morgens weer thuis. In Oostende worden ze “bootsjouwers” genoemd. Die term stemt uit de tijd van de zeilvisserij, bij windstilte moesten ze hun schuiten in de haven of op strand trekken (sjouwen). Ze verkopen hun vangst rechtstreeks aan winkels, restaurants of via hun kraam aan de vistrap, een openlucht vismarkt aan de kaai waar de schepen aanleggen. Bij aankomst wordt de vangst in grote manden ,“bennen” genoemd, aan land gebracht. De pas gevangen vis wordt dan gesorteerd, per soort en grootte, en tentoongesteld in grote ijzeren schalen. Alles wordt dezelfde dag nog verkocht.

Vroeger gingen de vrouwen met de vis  leuren. De “viswuven” trokken met hun steekkar door Oostende en riepen luid: “Vassche platjes, vassche gernoazen!” (verse pladijs, verse garnaal). Of ze stonden met hun kar te leuren op de kaai.  Ze verkochten de vangst van de nacht. De bootjes waren toen ook veel kleiner, soms niet meer dan een houten sloepje  met een kleine bemanning.

De houten schepen werden vervangen door staal. De zeilen door motoren, de netten worden nu opgehangen aan grote vlerken en ze gebruiken boomkorren waarmee veel kan worden gevangen.

De visserij is een stiel apart. Het moet in je bloed zitten. De kou, de nattigheid, de eenzaamheid. De gevaarlijke zee, de storm, de wind. De slechte vangst en de opgelegde quota’s… het hoort er allemaal bij. De zee geeft en de zee neemt en vissers komen soms niet meer naar huis. Ze slaan overboord of het schip vergaat in een storm. Er zijn weinig vissersgezinnen die dat niet hebben meegemaakt. Het verlies van een zoon, man of broer. Het is verschrikkelijk als ze verdrinken maar als ze vermist zijn is het verwerkingsproces nog moeilijker. Leven ze nog? Spoelen ze nog ergens aan?

Dit verlies en verdriet moet de familie niet alleen dragen, wanneer er iets op zee gebeurt, leeft de gemeenschap mee. Het is een gedeeld verdriet. Dat is goed merkbaar bij de jaarlijkse bloemenhulde aan het “Monument der zeelieden”, waar de verdronken vissers, matrozen en scheepjongens worden herdacht. Het is een ingetogen moment en niet allen de vrouwen treuren maar ook de mannen die iemand uit hun “kopage” (bemanning) verloren.

De zee neemt en geeft, en toch blijven ze haar trouw, generatie na generatie.

Foto: eigen werk


Mo Verbiest

Mo Verbiest

Morag Verbiest wordt Mo of Mootje genoemd omdat bijna niemand haar naam juist uitspreekt. Ze is geboren en getogen in Oostende sinds meer dan een halve eeuw. Meer over Mo Verbiest

De visserij

Vissersvrouwen Vassche gérnoazn en blénde keuns

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief
van Mo Verbiest

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.