
Vreemde gerechten met bijzondere dank
In deel 1 las je hoe de jaren ’60 de basis legden hoe we vandaag met Vespavrienden onderweg zijn. Over de brede basis lees je in deel 2 meer, nog meer…
Hoe vooruitstrevend ons gezin was om Europa in de jaren ’60 met de tent te doorkruisen, hoe behoudsgezind we waren wat het eten betreft. Uitzonderlijk waagden mijn ouders zich eens aan lokale specialiteiten, doorgaans met slechte resultaat. Wat nu heel gewoon is, was in die jaren voor ons heel speciaal: we hadden over bepaalde gerechten nooit gehoord, noch sommige gerechten fysiek gezien.
Eenvoudige olijfolie, om maar één voorbeeld te geven, vonden we zo vreemd geurend op die Spaanse campings. We begonnen daar niet aan. En zo laat dat die Spanjaarden begonnen met eten? Het steeg allemaal ons petje te boven.
Ik herinner me haarscherp toen we in Sorrento waren, dat er ’s avonds een Apeetje de camping opreed. Een Apee is een Vespa met een opgebouwde laadbak, hoog of laag afhankelijk van het doel. Het bleek een foodtruck avant la lettre. De Italiaanse verkoper had pizza mee. Wij hadden dat nog nooit gezien en kenden het bijgevolg niet. Moeder bleef aan de tent wachten, wij met Vader gaan kijken naar dat vreemde gerecht. Bij terugkomst vertelde vader dat het een soort ‘warme taarten’ waren, met tomaat er op. Wat een dwaze gedachte…
Al die reizen hebben op mij een zeer diepe indruk gemaakt. Vooral, en dat klinkt vreemd, werd ik voortijdig ondergedompeld in geschiedenis van onze wereld. Die wereld werd plots kleiner dan Sint-Jan Oostende waar we toen woonden. De wereld was fascinerend, zondermeer.
We bleven zelden op de camping. Vader had de reis grondig voorbereid en er moest een en ander worden bekeken, geen tijd te verliezen. De camping was om te slapen en te eten.
Bij dergelijke uitstapjes kon vader ter plaatse, heerlijk over de geschiedenis van wat letterlijk voor onze neus stond vertellen en er omkadering over geven. En luisteren moesten we sowieso. Ik had daar geen moeite mee omdat ik toen al van geschiedenis smulde.
En vader wist wat hij vertelde. Top was dat eigenlijk.
Ook fier was ik dat ik al zoveel historische Europese topklasse op jonge leeftijd met mijn eigen ogen had mogen zien. Onmetelijke dankbaar ben in mijn ouders, maar deze ervaringen kreeg ik niet zo maar cadeau. Urenlang, dagenlang in een oververhitte auto zitten, Royco Minute Soep eten, en nog zoveel andere beproevingen.
Toen de meester op school en later de leraars geschiedenis in het middelbaar het over Altamira in Spanje of Pompeï in Italië hadden, stak ik fier mijn vinger op: ‘Meester, ik ben daar al geweest’ en ik kon zijn les didactisch bevestigen.
Enkel die etter van een geschiedenisleraar die iedereen angst inboette in het middelbaar, snoerde me de mond: ‘Het is al goed, je bent er zeker al geweest?’, zei hij misprijzend.
Ik catalogeerde hem tot de groep barslechte leraars. Zo schril in contrast stond hij met die goede, inlevende leraars die niet van bullebak moesten spelen omdat ze van nature gezag hadden. Ze straalden dat gewoon uit.
Een camping is meer dan kamperen
Het lijdt geen twijfel: een camping is een ware speeltuin om je in sociale competities te oefenen en die zich eigen te maken. Als jong kind leer je dat ingewikkelde raderwerk der menselijke contacten. Immers: hoe meer, hoe beter en – dat klink gek – hoe moeilijker, hoe beter het resultaat wordt.
Het hele campinggebeuren legde een mooie basis, meer nog. Het kabbelde gewoon verder door naar de volgende generaties. Mijn kinderen en kleinkinderen, opgegroeid met kamperen, zijn er getuige van.
Maar meer dan hen was ik een familiaal proefkonijn. Door het grote leeftijdsverschil met de andere gezinsleden was ik qua spelen op mezelf aangewezen. Heel snel veranderde schroom in durf en communiceerde ik met Duitse, Franse, Britse en Spaanse kinderen zonder de taal te kennen. Het voetbalspel of het speeltuintje op de camping werd een ideaal communicatiemiddel. Op de camping was het te doen: ’s avonds na de Roycosoep, het vlees, de aardappelen, weinig groeten, veel saus en soms een dessert als moeder vond dat de maaltijd te licht en te snel verteerbaar was. Kortom, ik vond ik een mooi evenwicht tussen het bezoek aan het Alhambra en het potje voetbal met Juan Ramon, de jongen van een tent verder. Heerlijk…
Natuurlijk hebben tegenstanders van het kamperen soms terechte argumenten. Veel lawaai, met nachtlawaai als ergste bron van ergernis op een camping. Juist, er zijn kampeerders die de grenzen op dat vlak moeilijk kennen. Maar ervaring doet haar werk. De keuze van de camping is zeer doorslaggevend. Op den duur weet je waar je je tent best niet opzet en welk type camping afstotend of net aantrekkingskracht heeft op platte, luidruchtige vakantiegangers. Vooral de campings aan zee of aan een meer of met grote zwembaden zijn drukteverblijven. Ook grote, drukke steden zijn wel eens plaatsen om te vermijden.
Toen nog op reis in de jaren zestig leerden we in Frankrijk het type Camping Municipal kennen. Een heerlijke uitvinding van de Fransen. Het zijn campings door de gemeente uitgebaat. De meeste gemeenten met zo’n camping maken er een erezaak van om toeristen goed te ontvangen. De gemeente is geen equivalent van een plat businessmodel. De prijzen zijn daardoor beduidend lager en een heel leger gemeentewerkers staan klaar om te poetsen en te onderhouden. De campingbaas is een gemeenteambtenaar: daarmee is alles gezegd. De man wil je echt helpen als je een probleem hebt: hij ziet er geen commercie is. Maar het gebeurt dat je hem om 21 uur niet meer kan vinden: zijn dagtaak zit er op en is naar huis.
Sommige kleine gemeentelijke campings in meer landelijke streken leggen het vertrouwen in de schoot van de kampeerders die elkaar corrigeren zonder het te beseffen. Zo vind je bij aankomst geen kat aan de receptie: Zet je tent maar waar je wil, tussen 18 en 20 uur komt de gemeenteontvanger je bijdrage innen. Of morgenvroeg tussen 8 uur en 9 uur. Moet je eerder weg, gooi de bijdrage in de bus.
Een andere, mooie gedachte is de vreemde wereld die op je afkomt. Zeker als je van jongsaf aan reist. Je merkt plots dat niet alles is zoals thuis. Je ervaart letterlijk aan den lijve hoe mensen op andere plaatsen leven. Zeer leerrijk is het als je merkt dat hun leven veel moeilijker verloopt dan het jouwe. Of zoveel andere levensgewoonten zetten alles in een ruimer perspectief. Je leert relativeren en vooral respect opbrengen. Zonder dat je het beseft, groeit begrip en vooral verdraagzaamheid. Je kijkt verder, je kijkt breder.
Maar het mag gezegd, niet alles is altijd koek en ei. Sommige gewoonten moet je proefondervindelijk leren kennen, zeker als kind. Zo bestaat er een familiaal verhaal toen ik als kleuter op zo’n Camping Municipal naar het toilet moest. Ik stapte een vreemde ruimte binnen. Er stond geen toiletpot. Het sanitair had iets tussen een douche en een toilet. Snel had ik door dat het eerder een toilet dan een douche was. Ik zag geen douchestang en vooral de geur verraadde alles. Zo vreemd…
Ik deed wat Moeder Natuur me had opgedragen. Enigszins opgewonden, kwam ik op verhaal aan de tent. Iedereen schaterlachte… en ik… ik keek met schaamte naar de grond.
Ik had me blijkbaar neergezet, in het volstrekt goedberedeneerd idee, op dat kleine gaatje, en me vastgehouden- schoren eigenlijk – met mijn handen elk op een pedaal van dat Franse toilet. Moeder, die heel zeker me voor toekomstige verkeerde handelingen wilde behoeden, zal me wellicht bij een volgend bezoek aan dat bizarre toilet begeleid hebben…
Al in de beginjaren 2000 nam ik het initiatief binnen de Vespaclub om te gaan kamperen. Uiteraard hadden we logischerwijze ons reisdoel met de Vespa voor ogen. Ik wist zeker dat een aantal leden uit de club nooit eerder hadden gekampeerd en dat ze er geen spijt van zouden hebben. Ze zouden hun grenzen verleggen. Bovendien zou het groepsgevoel hen sowieso over stag halen. Enthousiast vertelde ik toen ik het idee lanceerde dat het rudimentair kamperen zou worden. Het idee werd zonder inspraak van mijn kant door mijn vrienden omgedoopt tot ‘De Bende van Bart’.
Ik stelde enkele voorwaarden: het moest rudimentair zijn en zo goedkoop mogelijk. Immers, ik had alle redenen daartoe. Ik reis familiaal graag en veel. Mijn eigen reisje mocht, zo vond ik, geen exuberant snoepreisje worden. Neen, helemaal in tegendeel.
Al snel bleken de Campings Municipal in Frankrijk een modeloplossing te zijn. Ik overtuigde de campingbazen stuk voor stuk dat we slecht ‘un emplacement’ nodig hadden. Alle tenten op één perceel met hard gesnurk bij nachtelijk uur, allemaal op één hoop met alle gevolgen van dien…
Uitgerekend per persoons schommelt de prijs doorgaans tussen 3,5 euro en 8 euro per persoon per nacht. En 8 euro is al behoorlijk duur, uitzonderlijk voor ons concept. We hebben enkel een douche en toilet nodig. Het mocht zelfs een Frans toilet zijn. Ik had immers sinds kindsbeen ervaring. Maar die pedaaltoiletten vind je gelukkig nog zelden. Heel vaak tref je WC’ s aan zonder bril. Geen idee wie dat bedenkt.
Maar de ervaringen met mijn Vespavrienden op die Campings Municipal zijn heerlijk en doen me vaak aan mijn kindertijd uit de jaren ‘ 60 denken. Merci, ma en pa, voor dit levensgeschenk!
Foto: Familiearchief Bart Houwen

