
De burgemeester
Het was op de terugweg, wellicht van onze Alpenreis met de Vespa. Of was het sluitstuk van onze reis naar de Jura? We zochten een parking om onze lunch aan te spreken. Kris, onze kok en verantwoordelijke voor voedsel en drank had alweer een schitterend idee. Ter afwisseling vooral, niet dat zijn lunchvoorstel hoge toppen scheerde, maar het idee op zich was fantastisch. In een warenhuis kort voor het middaguur kochten we Frankfurter worsten, ketchup, mosterd en een fles water. Een stokbrood kraakten we in tweeën uit fysisch gemak om het Franse brood te vervoeren. Het water hadden we nodig om de worsten op te warmen. Onze campingvuurtjes lagen grijpklaar ter beschikking: alles was goed voorbereid. De berg bagage die we steeds torsen moet vooraf oordeelkundig worden gepland, wat ook gebeurde.
We zochten dus een parking. Carlos, die steeds de kop trekt, wees op een modale parking langs een relatieve drukke weg met veel vrachtvervoer. We hadden zeker plaats, dat wel, maar het was naast overvolle vuilbakken. Carlos had al betere ideeën gehad. Ik kwam tussen en wees op een kerktoren links van de steenweg. Een dorpje op een tweetal kilometer weg van de drukte. Ons gezelschap (Kris, Carlos, Luc en ik) reed het rustige dorpje binnen. Toen de Vespa’s stilvielen, sloeg de kerkklok 12 uur. We vonden een pleintje met een oude drinkbak voor vee, opgetrokken uit mooie Franse steen met sprankelend helder water. We sloegen de drinkbak die eigenlijk een monument was meteen aan: onze blikjes frisdrank dompelden we er in onder: een koelkast op maat.
Het dorp bleek uitgestorven. Niemand op de straat of in de buurt. Verder op het einde van de weg zag je het gemeentehuis. Een pietluttig dorp, en naar aloude Franse gewoonte, een Mairie. Stel je voor, gemeenteraadsverkiezingen voor een handvol bewoners waaruit dan nog burgemeester en schepenen moeten worden gekozen…
Opeens verscheen als een deus ex magina de eerste bewoner. Zijn boerderij grensde aan de dorpsstraat. Hij kwam kijken wie de rust verstoorde. Meteen stapte hij op ons af en in tegenstelling tot wat we aanvoelden, stelde hij voor om ons wat comfort te bieden. Hij sleurde een zware houten plooitafel en twee houten banken uit zijn schuur naar onze picknickplek. Na een kort gesprekje gunde hij ons rust. We mochten bij ons vertrek de boel gewoon laten staan, hij zou wel opruimen. De tafel kwam perfect van pas: een waar kookeiland voor het opwarmen van de hotdogs, met alles wat ermee te maken had: wat een luxe… De banken waren goedbedoeld, maar na vele kilometer letterlijk neerzitten op Vespazadels staan we liever recht. Maar wat een mooi en vriendelijk gebaar van die mens…Schitterend!
Het water begon langzaam op kooktemperatuur te geraken. Plots stopte een auto. De auto bleef half in midden op de weg staan, de motor uit en het portier werd
opengezwaaid. Een man van middelbare leeftijd stapte enthousiast uit. Een vreemde klerencombinatie viel ons meteen op. Hij had een korte, groene sportboek aan met rubberen laarzen. Een potsierlijk gezicht. De man schudde ons de hand en stelde zichzelf voor. Hij was de plaatselijke burgemeester. Hij stond met grote bewondering onze Vespa’s te bekijken en sprak met passie en met lovende woorden voor ons reisproject. Hij kende dat best, want als motard reisde hij soms op een analoge manier. ‘Als jullie iets nodig hebben, zie daar, het gemeentehuis. Gebruik maar de toiletten, heb je nog water nodig, klop maar aan. Mijn medewerkers zullen jullie helpen. Ik zal hen van jullie komst op de hoogte stellen’, benadrukte hij.
Ik kreeg nog een pet van zijn plaatselijke motorclub en we namen afscheid. We waren onder de indruk van de gastvrijheid en de openheid tegenover ons en onze manier van reizen. We vonden alles surrealistische en lachten om wat ons overkwam.
Maar die hotdogs mochten nu toch wel komen. Toen we de lunch verder aan het voorbereiden waren, stopte opeens een tweede auto. Deze keer parkeerde de chauffeur zich ordelijk, keurig volgens de verkeerscode. Een dame stapte uit. Ze stelde zich voor als lokale journaliste. Ze was net opgebeld door de burgemeester. Hij stond erop dat er een reportage van ons en ons project in de plaatselijke krant kwam.
Voordat de journaliste kwam aandraven, hadden we ons van al wat kledij ontdaan. De temperatuur steeg immers gevoelig tijdens het middaguur. Ik stond daar zonder schroom in mijn Marcelletje.
In ons gezelschap is het mijn taak om problemen op te lossen en contact te leggen met de plaatselijke bevolking. Ik word niet helemaal terecht, maar ik heb er mij bij neergelegd, naar voren geschoven als taaldeskundige. Ik kan me in het Frans behelpen, maar willen of niet ben ik steeds de gedoodverfde communicator. Ook nu met de journaliste.
Kunt u het visueel plaatje voorstellen hoe ik dat interview moest geven, inclusief de foto voor het dagblad, met het Marcelletje als visueel speerpunt? En mevrouw de journaliste wees me er niet op: Boem, iedereen op de foto in de staat zoals we er bijstonden.
Na het warme contact met de pers konden de eindelijk aan de hotdogs beginnen.
Na de eerste beet, stopte een derde auto. Een vriendelijke jonge dame draaide het raampje open. Wij dachten dat de tamtam alweer in een volgende fase zijn werk had gedaan. Mispoes, helemaal fout.
De dame bleek een jonge boerin te zijn en vroeg ons als uit het niets: ‘Hebben jullie hier een varken zien passeren? Ik ben een varken kwijt. Het dier is uitgebroken’.
Wat een hilarische situatie? Ik kon de grap als woordvoerder niet laten liggen: ‘Als je varkens zoekt, ik sta er hier met drie om me heen’. De boerin lachte hartelijk en zette meteen vaart achter haar zoekactie.
We kwamen niet meer bij: wat een toestand in dat bewuste dorpje. Wat een opeenvolging van bizarre ervaringen met een Amélie Poulain-gehalte…
Geloof het of niet: dit hebben we écht meegemaakt. Leve Frankrijk en haar oprechte inwoners… En het artikel dat in de plaatselijke krant is verschenen, werd naar mijn mailadres als bewijs in PDF-voel opgestuurd. Vive la France!
Foto: Carlos Vancraeynest

