Niets is nog zoals het was. Vandaag krijg je al een gasboete om na het eten van te veel bonen een groene wind op het openbaar domein te laten ontsnappen.
Waar is de goede oude tijd dat alles nog kon. Niet eens zo lang geleden kwamen zelfs onze ministers moeiteloos weg met uiteenzettingen voor het parlement die onontkoombaar deden denken aan een zoveelste aflevering van de Muppet show.
Denk aan onze minister zaliger Michel Daerden, een vijftiental jaar geleden nog federaal minister van pensioenen. Hilarisch was zijn optreden in het halfrond toen hij – mijlenver over zijn theewater – het “witboek… en daarna groenboek” over de pensioen-hervorming kwam voorstellen.
Wie het zich niet herinnert, moet dringend eens het filmpje op Youtube herbekijken.
Voor mij roept het woord groenboek echter heel andere herinneringen op…
Het verhaal begon ongeveer in het jaar 1970. Heel soms mocht ik blijven slapen bij mijn grootouders, waar ik op een verlaten zolderkamertje – helemaal in de stijl van de mansarde waar Jef en Ida van De Lichttoren uit Lili en Marleen logeerden – een slordig groen boekje in het nachtkastje tegenkwam. Het was het dagboek van mijn groottante langs moeders kant, die er haar beleving van de eerste oorlogsjaren in had opgetekend: in volle oorlogsgeweld, ongeveer één jaar na de beruchte eerste gasaanval van 22 april 1915.
Mijn tante was toen al 30 jaar gestorven, het manuscript was in het bezit van haar broer – mijn grootvader en tevens dooppeter – gekomen.
Later kwam het boekje via een vriend des huizes in de toenmalige bibliotheek van Roeselare terecht. Nog een kwarteeuw later werd het daar toevallig opgepikt door Aurel Sercu, een gerespecteerde docent Germaanse talen in Ieper.
Aurel was op zoek naar historische oorlogsdocumenten en werd zo meegesleept in het diep menselijk verhaal, dat hij het manuscript verwerkte tot het boek “Van de oorlog hoor ik niets”. Hij kwam hierbij ontelbare keren te rade bij onder andere mijn ouders, die de Groote oorlog weliswaar niet hebben meegemaakt, maar wel veel van de verhalen uit eerste hand hadden gehoord.
Dat het manuscript vele jaren eerder in het nachtkastje van Maries broer lag, waar ik er ’s nachts stil en geboeid in heb gelezen, dat blijkt niemand nog te weten. Toch is het voor mij één van de twee bronnen van mijn interesse in de niet-militaire kant van de oorlog – hoe mijn voorouders, net als talloze ‘gewone mensen’ in die tijd de Groote Oorlog moeten beleefd hebben.
Die andere bron… dat was Jules Leroy, grootoom langs vaders kant.
Ironisch genoeg waren Jules en Marie, die elkaar hoogstwaarschijnlijk niet gekend hebben, beiden aanwezig op de plaats en het tijdstip van de eerste gasaanval. Hun verdere leven is er zeker door getekend, maar ze hebben het allebei kunnen doorvertellen.
Ik zie Maries groene boekje nog zo voor mijn ogen: een document, A4 formaat, manueel getypte tekst op groen papier. Het was niet makkelijk om als negenjarige alles te begrijpen: de tekst was doorlopend – geen alinea’s, noch afbeeldingen, en alles in oud Vlaemsch. Toch las ik herhaaldelijk, tot een stuk in de nacht uit dat dagboek van Marie. Het verhaal was dan ook heel aangrijpend.
Wat Aurel in de Rodenbach bibliotheek vond was niet het origineel, maar een woord voor woord overgetypte kopie van het handschrift van Marie. Als ik mij goed herinner (al ben ik daar niet meer 100% zeker van), lag het handgeschreven origineel destijds samen met de getypte kopie in het nachtkastje, maar de uitgetypte versie las natuurlijk vlotter – zeker voor een kind van nog geen 10 jaar.

Het overtypen van de geschreven versie (inclusief aanvullingen) was door Michiel Huyghebaert (rechts) uitgevoerd.
Het relaas van Marie had hem zo hard aangegrepen dat hij er een eerste bewerking op uitvoerde.
Hierbij had hij hulp gekregen van Maries jongste broer Alidor, mijn dooppeter (links).
Toen Aurel Sercu in 1989 contact wou opnemen met Michiel, bleek dat hij – net zoals pepe Alidor – korte tijd daarvoor overleden was. Wellicht kwam Aurel bij de totstandkoming van zijn boek daarom op consultatie bij mijn moeder, tante en nonkel (de drie kinderen van Alidor).
Aurel schrijft in zijn boek dat Michiel bij het uittypen illustraties aan Maries dagboek had toegevoegd. Dat lijkt mij vreemd, het groene boek met getypte tekst dat ik las bevatte – in mijn herinnering althans – geen afbeeldingen.
Doet het er nog toe? Wat Aurel, na Michiels eerste bewerking heeft verwezenlijkt is ronduit puik werk! Onze familie is beide heren dan ook bijzonder dankbaar.
Een tiental jaar geleden werkte ik als project manager – in opdracht van de IT van Stad Roeselare – meer bepaald de bibliotheek ARhus (al gebruikt men vandaag liever de bredere term ‘kenniscentrum’) mee aan de oprichting van het indrukwekkende gebouw op het plein ‘De Munt’.
ARhus staat (op zijn West-Vlaams) voor ‘het huis van Albrecht Rodenbach’ – een eerbetoon aan het sterfhuis van wellicht de meest bekende Roeselaarse dichter en studentenleider binnen de Vlaamse Beweging – neen, Albrecht was géén brouwer, maar hij was wel familie van de bekende brouwers van ‘het pittige bruintje’ – dit geheel terzijde…
Wat ik bij de consoliderende overdracht van de schier eindeloze stapels boeken van de oude bibliotheekgebouwen naar het Muntplein op een bepaalde dag te zien kreeg, deed mij onwillekeurig wegdromen naar lang vervolgen tijden: meerdere containers oude boeken werden vanuit de kelder weggevoerd, vernietigd… of beter… laat het ons hopen, gerecycled.
Ik kon en zal het nooit kunnen achterhalen, maar hoe graag had ik die dag in die containers gekropen, op zoek naar Maries groene boekje.
Ach, wie weet staat er vandaag een nieuw verhaal in de rekken van ARhus, vers van de pers gedrukt op tantes gerecycleerde papier? Of dat verhaal ooit een even diepmenselijke inhoud op de wereld kan loslaten, dat durf ik te betwijfelen. Niets is nog wat het was, ondanks de bewering dat alles terugkomt!

