
De Konijnenpijl van Livigno
Officieel heet ze ‘Munt la Schera’, voor ons is het Dé Konijnenpijp van Italië. Elke Vesparijder met wat rijervaring kent het: aanschuiven zoals dat geldt voor het normale autoverkeer voor een verkeerslicht, dat slaan we even over, zeker als het om een redelijke file gaat. We halen de ongeduldige autobestuurders in, zo goed en kwaad als het kan, schuiven in net voor een te traag optrekkend voertuig. Een onrealistische overwinningsgevoel, maar doorgaans lukt dat wel.
Meestal tolereren de chauffeurs dat gedrag. Het is vaak wat spelen met de grens van het fatsoen. Toen we tijdens onze reis naar de Dolomieten moesten aanschuiven voor het veerpont die ons enkele kilometer verder naar de camping van Obernai in de Elzas bracht, stonden we gedisciplineerd in de file. Geen voorbijstekerij…
De verrassing van het moment nam ons te grazen op die zomerse zware terugrit van ons basiskamp in Colfosco, inclusief de Stelvio die we met pak en zak hadden bedwongen. We wisten helemaal niet wat ons te wachten stond toen we een rij aanschuivende auto’s voor een modaal verkeerlicht voor een tunnel opmerkten. We schoven de wachtende auto’s voorbij precies op het moment dat het licht net op groen sprong.
Het oorverdovend zenuwachtige getoeter van een speciale stadsbus kleiner en minder hoog van model, bracht ons plots met de voeten op de grond. We vermoedden iets, maar wisten niet precies wat. In die eerste seconden reden Carlos, Kris, Lorenz en Johnny (in deze volgorde) als eerste groep de tunnel in net voor de ongeduldige en aanstormende bus. De bus was immers zo opdringerig dat hij ons in twee groepen indeelde.
Wat we niet wisten, maar bij het binnenrijden na een tijdje traag tot ons doordrong, dat dit geen gewone tunnel wat. De tunnel was supersmal (je kon bijna beide muren aanraken als je wat lange armen had) en deze konijnenpijp bleef maar in lengte duren. Het was er bovendien heel erg donker. Er was schaarse verlichting. Je had het gevoel dat de temperatuur tot aan het vriespunt was gezakt, schril in contrast van het stralend mooi weer die dag. Verrast door dit alles, reed ik met open jas onbezorgd de tunnel in en kon nadat ik de realiteit doorhad, onmogelijk mijn jas dichtmaken. Het ongeduldige verkeer duwde ons letterlijk in de rug. Achteraf zagen we bij het uitrijden van de tunnel dat een rij auto’s in tegengestelde richting geduldig moest wachten omwille van de eenrichtingstunnel. De ingewikkelde puzzelstukken vielen zo plots op hun plaats: door de lengte van de tunnel, door het feit dat het eenrichtingsverkeer was moest iedereen lang moest aanschuiven. Zeker, een 20-tal minuten. Nu begon de frustratie van de wachtende bestuurders echt tot ons door te dringen.
De ergernis van de buschauffeur stapelde zich gestaag op en joeg het viertal als grof wild door de smalle, donkere tunnel. Hij gebruikte als een brullende leeuw bijna onophoudelijke zijn dubbele claxon en reed op een kleine meter steeds dichter en gevaarlijker het wiel van Johnny naderend. Tot overmaat van ramp dacht Lorenzo bij dat eerste getoeter in de tunnel dat wij moesten stoppen en de tunnel eigenlijk niet in mochten. Johnny, net achter Lorenzo rijdend, bestierf het bijna: Lorenzo wou gewoonweg stoppen in die claustrofobische tunnel en de bus wou doordrammen. Hij zag zichzelf als beleg op een sandwich. Johnny schreeuwde wat Lorenzo eigenlijk bezielde en dat hij verdorie voort moest maken. Achteraf werd Lorenzo voor dit initiatief bekroond tot ‘worst van de dag’, een dagelijkse vermelding voor wie echt dom deed. Ook kreeg hij sindsdien een definitieve bijnaam, die zelfs vandaag op zijn Vespajas prijkt: ‘tunneltje’.
De bus bleef verder het hele traject gevaarlijk dicht op het wiel van Johnny rijden, zo dicht dat hij naar voren geleund moest zitten omdat de grote lichten van de bus in beide spiegels als een constant weerlicht schenen. Johnny die toevallig die dag last had van buikkrampen, kreeg een onverwacht constipatiemiddel toegediend: een bus in zijn achterste. Toen we later uit die gevaarlijk tunnel weer in de werkelijke wereld terecht kwamen, schreeuwde Johnny het uit: ‘Waar is die buschauffeur, ik geeft hem meteen een pak rammel!’…
Enkele dagen eerder klaagde Kris al over de vele tunnels die we inmiddels op onze weg verwerkt kregen. Voor een goed begrip, het ging telkens over ‘normale’ tunnels. Kris rijdt steeds in een open helm met een zonnebril op sterkte. Als het donker wordt, moet hij die bril aanhouden, omdat hij zonder bril helemaal niets ziet. Met zijn zonnebril in het donker ziet hij dus nog een klein beetje. Een relatief onveilige situatie in van die tunnels, zoveel is zeker.
Bij het inrijden van de bewuste konijnenpijp hadden we eigenlijk door die moeilijke omstandigheden een soort ‘Stevie Wonder’ in de groep. Kris zag in het duistere gat gewoonweg geen steek. De enige overlevingskans voor hem was om zo dicht mogelijk tegen Carlos aan te rijden zich puur concerterend op zijn achterlicht. Dat was nog letterlijk het enige lichtpunt dat hij moeizaam kon waarnemen. Tegen het einde van de tunnel, kende hij elk detail van dit achterlicht.
Wij (Bernard, Luc en ik) die achter de opmerkelijke bus reden, hadden weet dat er ergens iets aan de hand was: we hoorden de bus zeer geregeld toeteren en zagen bijna constant het rode stoplicht aanflikkeren. Het beeld van de bus in de smalle tunnel wat opmerkelijk. De linker en rechter bovenhoek scheerde langs de bovenkant van de tunnelmuren: de bus had langs beide kanten een handvol centimeter over.
Gaandeweg werd het steeds kouder en niemand van ons had opgemerkt hoe lang de tunnel was. Het bordje met de afstandsaanduiding dat rechts bij het binnenkomen van een tunnel staat, hadden we door die bizarre omstandigheden niet gezien. Door de claustrofobische en ijzige omstandigheden kwam er maar geen eind aan. Met mijn open jas had ik het flink koud en dacht geregeld aan Bernard die in zijn T-shirt achter me reed en door de omstandigheden niet de tijd hand om een jas of extra pull aan te trekken. Hij was er nog slechter aan toe, hoe jammer voor Bernard, maar het gaf mij dat een stukje moed. Ik herinner me goed toen hij uit de tunnel kwam, net als een hond die uit het water opduikt en zich van het kille water afschudt, hij de kou van zich afschudde. Hij hield er voor de rest van de reis een stevige verkoudheid aan over.
Van het zevental hadden Carlos als eerste rijder, ik als middelste en Luc als laatste radioverbinding. Carlos merkte op, want hij kende de streek, dat het uitrijden van de tunnel er een scherpe bocht naar rechts was omdat er een stuwmeer op 50 meter van het eind lag te wachten. Je hebt weinig verbeelding nodig om te beseffen hoe Kris uit die tunnel kwam. Het mag een wonder heten dat hij verblind door het plotse daglicht met Vespa, inclusief met pak en zak niet in het stuwmeer is beland…
Iedereen kwam verbijsterd uit de tunnel toen we halt hielden en van de schrik moesten bekomen: Kris lachte zichzelf uit en gaf schromelijk toe dat hij heel erg bang was geweest, Lorenzo stond er bij verdwaasd als een alien uit een andere wereld, Johnny was woest op de chauffeur en wou de man een pak slaag verkopen en Bernard kwam als een pinguïn uit dit avontuur. Wat een surrealistische ervaring…
Afbeelding: Microsoft Copilot

