Wie mag er eigenlijk aan de knoppen zitten?
Toen ik onlangs hoorde hoe Robin Tonniau (PVDA) uithaalde naar Oskar Seuntjens (Vooruit) met de woorden: “Die gast heeft in zijn hele leven nog geen dag gewerkt”, voelde ik geen verontwaardiging. Ik hoorde vooral de kloof. Niet enkel tussen “links” en “centrumlinks”, maar tussen wie beleid maakt vanop afstand en wie elke dag in de vuurlinie staat.
Ik ben zelf een ex-treinbegeleider, die pas later aan de VUB is terechtgekomen en daarna in de academische wereld is blijven plakken. En ondanks alle goeie intenties zie ik een enorm verschil tussen mensen die ‘agressie op de werkvloer’ met veel passie onderzoeken, en mensen die ze eerst gewoon hebben moeten ondergaan. Er is een grandioos verschil tussen iemand die de adrenaline heeft gevoeld van een reiziger die uit het niets op je afstormt, die zich in een stuurpost moet verschansen om erger te voorkomen, in een trein vol hooligans zit, dagelijks beledigd of bedreigd wordt, met het besef dat het élk moment opnieuw kan gebeuren, en iemand die dat alles vanop afstand bestudeert.
Als iemand me vertelt dat hij plots bewusteloos geslagen werd met een skateboard, gewoon terwijl hij zijn job deed, dan voel ik dat. Ik voel die verbazing, die frustratie, die woede achteraf. Ik herken de machteloosheid, de nood om gehoord en gezien te worden, en de ijskoude douche wanneer dat niet gebeurt. Voor mij zijn dat geen “cases”, dat zijn collega’s die ik had kunnen zijn. Ik wéét welk versterkend effect wisselende uren, onzekere diensten, opnieuw alleen op een trein staan,… daar nog bovenop kunnen hebben. Dat vergeet je niet, ook niet als je onderzoek al lang afgerond is. Dat kruipt onder je huid en blijft zitten.
Tegen die achtergrond hoorde ik onlangs hoe Robin Tonniau (PVDA) uithaalde naar Oskar Seuntjens (Vooruit) met de woorden: “Die gast heeft in zijn hele leven nog geen dag gewerkt.” Nu, die “gast” heeft een PhD, en als houder daarvan kan ik je verzekeren: die krijg je niet bij een doos wasmiddel. Een doctoraat betekent jarenlang precaire contracten, avond- en weekendwerk, eindeloze herwerkingen, druk om te presteren, lesgeven, projectaanvragen schrijven, begeleiding van studenten en op geen enkel moment werkzekerheid… Dat is óók werken, en heel hard. Maar tegelijk begrijp ik de onderliggende frustratie in Robin Tonniau’s uitspraak, en heb ik het gevoel te snappen wat er écht achter die woorden schuilgaat. In die zin moet je ze niet letterlijk nemen.
De kern gaat niet over wie “het hardst gewerkt” heeft. Ik geloof ook niet dat dat is wat Robin Tonniau echt wou aanklagen. Het gaat erom dat er te vaak besluiten over mensen worden genomen door mensen die hun dagelijkse realiteit alleen via dossiers en nota’s kennen. Een PhD’er heeft ook nog enig aanzien. Het ergste wat je daar meemaakt is een student die zich even wil stellen. Je wordt niet dagelijks beledigd, je wordt niet bedreigd. Er worden geen messen bovengehaald. Je bent nooit voor een boze mensenmassa moeten vluchten omdat de treinen vertraging hebben, nooit gaan schuilen in een stuurpost omdat een agressor achter je aankomt. Je hebt nooit een trein vol dronken hooligans moeten kalm zien te houden om je reizigers te beschermen. Je hebt nooit moeten vaststellen dat aan het eind van je loon nog een stuk maand volgde. PhD’ers worden ook redelijk fair betaald voor die stevige inspanningen, of toch in België. Als je recht van een unief komt, mis je inderdaad iets: terreinervaring.
Je hebt minstens een stevige vertegenwoordiging nodig van mensen die wél uit die praktijk komen en die je met de voeten op de grond houden. En die verhouding is vandaag soms gewoon zoek. Tegelijk wil ik het belang van een PhD-opleiding niet minimaliseren; integendeel. Studeren heeft mij een taal gegeven voor dingen die ik vroeger alleen als onderbuikgevoel kende: werkdruk, rolconflicten, morele stress, “onzichtbare” schade, secundaire traumatisering. Het heeft me geleerd hoe je die ervaringen kan onderbouwen met data, hoe je kan aantonen dat agressie geen incident is maar een structureel probleem, hoe je beleid kan confronteren met meer dan alleen anekdotes.
Je leert hoe systemen werken, waar de échte knoppen zitten om aan te draaien, hoe je verhalen kan vertalen naar grafieken, rapporten en beleidstaal die wél gewicht hebben in directiekamers. Maar mijn verleden als treinbegeleider zorgt er tegelijk voor dat die grafieken nooit abstract worden. Achter elke datalijn zie ik een gezicht, een collega, een situatie die had kunnen escaleren – of nog altijd dagelijks escaleert. Elke “incidentcode” roept bij mij meteen een concrete scène op: een overvolle spits, een nachtelijke rit, een collega die daarna niet meer durfde terugkeren. En altijd dat besef: ik had dat kunnen zijn. Dat is, denk ik, de grootste meerwaarde van die combinatie: ik kán niet meer volledig afstandelijk naar dit soort dossiers kijken, maar ik kan er wél met academische tools aan werken. Ik kan in onderzoekscommissies en werkgroepen zitten met een statistiek- en beleidspet op, terwijl ik haarscherp voor ogen houd wat het betekent om na een zware interventie gewoon weer alleen op een trein gezet te worden.
Die spanning tussen ervaring en afstand is vermoeiend, maar ook ontzettend waardevol. En precies daarom zouden we véél vaker mensen met terreinervaring én studie-ervaring rond dezelfde tafel moeten krijgen. Niet omdat zij per definitie beter weten wat er moet gebeuren, maar omdat je pas dan de blinde vlekken langs beide kanten kleiner maakt: de blinde vlek van wie alleen nog in modellen, KPI’s en indicatoren denkt, én de blinde vlek van wie alleen nog van shift tot shift probeert te overleven. Tussen die twee werelden in, daar ontstaat volgens mij de enige vorm van beleid die zowel menselijk als houdbaar is.

