Reizen met de Vespa (Deel 7)

Dit bericht is deel 7 van 10 in de reeks De Vespa als aantrekkingskracht voor bizarre reisverhalen

Het been in een draai van 360 graden

We waren op weg naar onze laatste slaapplaats, de mooie Vespareis liep naar haar onomkeerbaar einde toe. De laatste avond zijn we doorgaans niet aan koken toe. We hadden afgesproken in het Franse dorp waar onze camping bevond een frietkraam te zoeken. Het noorden van Frankrijk ademt immers al een beetje onze gewoontes uit. Morgen nog ruim 200 kilometer… en we zijn thuis. Niet dat we ernaar verlangen, verre van, helemaal triest worden we als we alweer zo’n exceptionele reis de rug moeten toekeren. Anderzijds lonken andere geneugten: een zacht bed, geen tent opzetten, geen dauw of vochtigheid bij het ontwaken rondom je…

In de voorbereiding, waarin mijn vrienden me altijd vrij laten, had ik een camping gevonden van eerder lage klasse. Voor de laatste avond kon dat geen kwaad, vond ik. Want ginds in het noorden verraadt die zogezegde lage klasse vaak ongeziene taferelen van eenvoud, authenticiteit en een speciale ambiance. Ook toen, een heel speciale ambiance…

We reden die laatste kilometers naar de camping met twee sterren die eigenlijk slechts één ster in werkelijkheid waard was. De weggetjes naar de camping voorspelden niet veel goeds: ze lagen bezaaid met gemorste mest van boerenkarren. Barsten, kraken en putten in het wegdek suggereerde een streek met een relatieve verwaarlozing. Ik voelde door mijn oortjes allerlei kritiek opborrelen. ‘Waar breng jij ons alweer heen? Wat een toestand is dat hier?’ waren relevante uitspraken. Ik voelde me niet echt aangesproken: komt goed, dacht ik. Typisch Frans, laat maar komen.

We reden de hoofdstraat van het dorp binnen, waar op een boogscheut de camping zou liggen. Bij een aankomst in zo’n dorp rijden we gewoontegetrouw met arendsogen rond om te ontdekken als er iets nuttigs voor ons kan zijn. We zijn en blijven kwetsbare reizigers. Geoefende ogen merkten in een flits een frietkot op, schuin tegenover het dorpscafé. Verder scheen het dorp, tot onze verrassing, wat opgedirkt. Achteraf zouden we vernemen dat er oogstfeesten waren. Het was half augustus. Dus, beter dan verwacht, zo dacht ik, het komt zeker goed. 

Bij het oprijden van de camping zakte het niveau alweer een graadje. De camping was simpel, marginaal eigenlijk. Maar zoals altijd is dit de buitenste schil van de ui. De uitbaatster kwam ons tegemoet. Ik vertelde haar dat we gereserveerd hadden. Even leek dat te hoog gemikt voor zo’n camping, zo voelde ik aan. ‘Pas de souci, benadrukte ze. Ze had een helblauwe blouse aan die opviel omdat een strak elastiek de bovenkant stevig afsloot met beide schouders ontbloot. Toen ik de onderhandelingen startte waar onze tenten konden staan, hoorde ik een stoorzender achter me. Het was uiteraard één ons ons gezelschap: ‘Trek dat gordijn maar naar beneden’, doelend op het beeld der blote schouders. Ik deed mijn uiterst best om tijdens mijn conversatie mijn lach te bedwingen. Onze plaats werd aangeduid. Nu nog, de laatste keer, die vervloekte tenten opzetten.

Na de geplogenheden om dat karwei te klaren, waren Kris en ik relatief snel klaar. We zochten de bar van de camping op, maar die stelde echts niets voor. We stapten op onze vrienden af met het spijtige nieuws over die sjofele bar. Maar 500 meter van de camping bevond zich dat fameuze frietkot met een café erbij. Kris en ik stelden voor om poolshoogte te nemen. We wilden weten tot hoe laat we aan frieten konden geraken. Snel op de Vespa en dan terug naar de camping om vervolgens met z’n allen te voet om frieten en een pintje te gaan. Mooi plan!

Na kort overleg met de uitbater van het frietkraam, zou hij zijn zaak om 21 uur sluiten. Mooi, we hebben nog ruim de tijd. Dus, het dorpscafé op vijf stappen van het frietkot, lonkte. Dan zouden we na een drankje onze vrienden contacteren en hen het nieuws als verkenners overbrengen. Dat was het initiële plan, het is er echter nooit van gekomen…

Als je een dorpscafé in Frankrijk binnentreedt, en dat weten we ondertussen goed en wel, zeg je aan iedereen goeie dag. Meer nog, een handdruk aan alle klanten kan, zeker als het er niet te veel zijn. Het wordt in kleine dorpen zelfs verwacht. Ook al ben je er niet bekend, het is een mooie gewoonte.

De graad van verwelkoming in zo’n café bepaalt direct het klimaat. En in het café ‘La Mar au Canards’ (wat een naam) in Sémeries was het er bonk op. De deur stond open en de gasten hadden onze Vespa’s al gezien. Enkelen kwamen dichterbij, met een pint in de hand, om de machines te bewonderen. Door het feit dat we iedereen in het café hartelijk begroetten, was de basis gezet. Sterker nog, de toon was gezet. 

Na het beantwoorden van de basisvragen tot kennismaking, aangevuld door elke nieuwe stamgast die ons persoonlijk kwam begroeten, voelden wij een oprechte volkse sfeer. Iets waarvan we ten stelligste weten dat dit bij ons nog nauwelijks bestaat. 

De waard stelde zichzelf voor Hervé, enchanté. ‘Hervé?, vroeg ik, Hervé Villard’? Na enkele seconden hieven de Fransen en de twee Belgen het levenslied van  Hervé Villard aan : Reviens, on va vivre la main dans la mainEn wij met hen, rondom de toog, letterlijk hand in hand en met volle borst het lied declamerend. In een oogwenk stonden twee pilsjes van stamgasten voor onze neus. We voelden aan: dat komt niet goed… Of beter gezegd, dat wordt dé avond in jaren.

In geen tijd stond een koppel geïnteresseerd voor ons en spraken hun bewondering uit voor ons reisconcept. ‘Wij zijn ook van ver gekomen’, bevestigden ze. ‘We komen elk jaar van Bretagne om de oogstfeesten in Sémeries mee te maken. Dit dorp is het dorp van onze jeugd.’, benadrukten ze.

Kijk, daar wonen we’, wilde de vrouw ons uitleggen. In een fractie ontblootte de man zijn bovenlijf en warempel op zijn rug stond de kaart van Bretagne getatoeëerd. Ze kon er bij wijze van spreken hun huis op aanduiden. ‘We zijn ondertussen fiere Bretoenen geworden’ benadrukten ze als verontschuldiging.

Dit tafereel leverde algemeen gebulder in het café op. De ambiance begon ernstig aan te zwellen. ‘Hier, nog een pintje voor jullie van Didier, le facteur’!

Je moest gevoelloos zijn om niet aan te voelen dat er meer van dat aankwam. Nagenoeg het hele café scandeerde de naam van een van de stamgasten. Na veelvuldig aandringen, voelden we dat er iets zou komen. Maar wat?

Het ging om iets meer, iets hoger, iets extra waarvan we getuige zouden worden. Het ging in de richting van ‘Toon het eens aan die Belgen, doe het eens, aub’…

De man waarover het ging tastte naar zijn been. Zijn vrouw ondersteunde hem door zijn schouder met gestrekte arm stevig vast te klampen. Op de achtergrond zwol de aanmoediging aan: Allez Guillaume, allez Guillaume, allez

Een ogenblik dacht ik: het kan toch niet waar zijn? Hij zal een houten been hebben en zo meteen onder luid applaus legt hij zijn prothese op de toog, neen toch…Laat deze beker aan ons voorbijgaan…

De mensen rondom Guillaume en zijn vrouw maakten fysiek ruimte: ze creëerden een kleine cirkel. De man in kwestie concentreerde zich opvallend, wachtte enkele seconden en startte zijn act. Zijn been bleef in stilstand en hijzelf draaide 36 graden rond. Het hele café applaudisseerde en scandeerde nogmaals zijn naam. Wij stonden erbij en keken ernaar… Als we weer tot onszelf waren gekomen, overviel ons een surrealistisch  gevoel: waar zijn we hier terecht gekomen? Maar tegelijk voelden we zo’n oprechte gemeenschap die zo sterk en zo mooi aan elkaar was vastgeklikt. Bizar en zo warm tegelijk.

Wij probeerden de mensen een pintje te presenteren, maar dat lukte niet echt: er stonden alweer twee ongevraagde pintjes voor ons. 

Helemaal opgezogen in de bijzondere amicale sfeer, waren we op den duur onze basisopdracht uit het oog verloren. Initieel zouden we terug naar de camping gaan om onze vrienden in te lichten over de stand van zaken in verband met ons avondeten. 

Opeens stapten onze Vespakompanen als uit het niets het café binnen. Net zoals wij werden ze, nu met nog meer egards, ontvangen. Luc fluisterde me toe: ‘Ik zie dat jullie de zaak hebben overgenomen’. We wisten dat we niet moesten blijven wachten’…

Ik verdedigde me dat die Fransen ons niet hadden laten gaan, wat in feite klopte: we konden geen vaandelvlucht plegen, we waren op en top in een Franco-Belgegemeenschap beland.

Luc, die door de timing van onze reis op die bewuste dag solo zijn huwelijksverjaardag moest vieren, trakteerde de hele zaak. En alweer werden Franse schlagers ten berde gebracht. 

Opeens, helder van geest, beseften we dat de friettent straks zou sluiten en net op tijd konden we aan ons avondmaal beginnen. Dat kwam goed van pas als evenwicht tussen de traktaties van de pilsjes. We brachten er verder een reuzeavond door en de waard zou morgen speciaal voor ons vroeg zijn zaak opendoen voor het ontbijt.

Zelfs bij het ontwaken op de camping stelde de uitbaatster voor dat ze koffie voor ons wilde zetten. We konden op dat mooie gebaar helaas niet ingaan. Bij Hervé Villard stond de koffie al klaar.

Dat de Fransen ‘accueillant zijn, zoals in de film ‘Bienvenue chez les Ch’ tis’, klopt als een bus. We kunnen er zoveel van leren…

Foto: Carlos Vancraeynest


Bart Houwen

Bart Houwen

Bart heeft een verleden als auteur van schooluitgaven, gelegenheidsuitgaven voor motortijdschriften en Vespa Club Oostende. Hij is directeur op rust van een Vrije Kleuterschool. Meer over Bart Houwen

De Vespa als aantrekkingskracht voor bizarre reisverhalen

Reizen met de Vespa (Deel 6) Reizen met de Vespa (Deel 8)

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief van Bart Houwen

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.