In een vorige blog vertelde ik u al over mijn hobby, groepen gidsen door ons mooie Oostende. In de volgende reeks blogteksten neem ik u graag mee door DE stad aan zee. In deze tekst zal ik het hebben over de koninklijke aanwezigheid in onze badstad.
Oostende genoot al vroeg bij het ontstaan van België koninklijk belangstelling: Leopold I huurde vanaf 1834 een ‘stadspaleis’ in de Langestraat 69 waar nu het huidige Stadsmuseum is ondergebracht. Louise-Marie verbleef graag en vaak in Oostende waar ze vanuit haar Belvédère de zee kon zien. Zo genoot er ook meer vrijheid, ver weg van het starre protocol in het paleis in Laken. Een verblijf aan zee was goed voor haar gezondheid ; wellicht leed ze aan tbc. Ze is in het paleis in Oostende gestorven op 11oktober 1850, amper 38 jaar oud. Haar sterfkamer werd heringericht met authentieke meubels en zelfs het bed waarin ze is gestorven.
Na de dood van Leopold I kocht zijn opvolger, Leopold II het pand, vooral als aandenken aan zijn moeder. Hij verbleef er zelf niet vaak, maar zijn gevolg en personeel konden het pand gebruiken. Hij liet voor zijn geliefde moeder ook een praalgraf oprichten in 1859, in een zijkapel van de Sint-Petrus en Pauluskerk.
Leopold II had grootse plannen met Oostende: het moest de mooiste badstad van Europa worden. In 1873 liet hij zijn koninklijk chalet bouwen op de nieuwe gronden ten oosten van het Kursaal, en in 1876 ook eentje voor zijn echtgenote. Die twee chalets waren verbonden door een glazen galerij. Hij maakte van Oostende zijn zomerhoofdstad en in zijn kielzog vond ook de Belgische en internationale elite de weg naar Oostende. Het elitaire, luxueuze kusttoerisme was geboren en Oostende kreeg haar titel als Koningin der Badsteden.
De koning vond het belangrijk om de belabberde infrastructuur van de stad verder uit te bouwen. Daartoe gaf hij directe en indirecte opdrachten aan binnen- en buitenlandse architecten en projectontwikkelaars. Zo liet hij het kursaal verfraaien, een nieuw postgebouw, de koninklijke gaanderijen, de koninklijke stallingen (nu het Sportcentrum de Stallingen) en de decanale kerk Sint-Petrus- en Paulus optrekken. Belangrijk was ook de vernieuwing van de haveninstallaties en de aanleg van zijn ‘Bois de Boulogne’, het Maria-Hendrikapark, kortweg ’t Bosje. Met de dood van Leopold II in 1909 deemsterde de koninklijke belangstelling weg, ondermeer ook door de wereldbrand die losbarstte in 1914.
De Oostendse bevolking verdiende een flinke cent aan het rijke volk dat van Pasen tot eind september flaneerde op de Zeedijk en zijn geld spendeerde aan de paardenkoers en de goktempel in het Casino. Zo gingen heel wat Oostendenaars tijdelijk in de kelder wonen om hun andere vertrekken te kunnen verhuren tijdens de zomer. Ook de kleinhandel moest tijdens ‘het seizoen’ voldoende centen verdienen om de lange winter door te komen. De vissers kenden moeilijke tijden door de oneerlijke concurrentie met de Engelse vissers die modernere technieken hanteerden en daardoor meer en sneller konden vissen. Paster Pype was de Oostendse priester Daens die zich bekommerde om die verpauperde bevolking. Maar daarvoor een volgende keer meer.
Het eerste koninklijk paleis in de Langestraat 69 kunt u bezoeken (https://www.oostende.be/stadsmuseum) en daar loopt nog tot 4 mei de tentoonstelling ‘Koningin Louise-Marie d’Orléans. 175 jaar In Memoriam’. Neem dan zeker de trappen tot aan het Belvédère.
De koninklijke chalets van Leopold II en zijn echtgenote waren danig vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn afgebroken. In de plaats kwam de koninklijke villa van Koning Boudewijn in Normandische stijl, nu een oncologisch revalidatiecentrum.
De foto toont de ‘handtekening’ van Leopold II die je op de Venetiaanse Gaanderijen en nog heel wat gebouwen in Oostende en Brussel kunt terugvinden. Het monogram bestaat uit een gespiegelde, rechthoekige L, met romeins cijfer II met bovenaan een kroontje. Foto: Martine Meire

