Paster Pype, de priester Daens van Oostende

Zoals beloofd in mijn vorige blog vertel ik u in deze tekst iets meer over de vermaarde pastoor, Henri Pype (1854-1926). Hij wordt weleens de Priester Daens van Oostende genoemd, naar zijn beroemde tijdsgenoot uit Aalst. Priester Adolf Daens streed voor het welzijn van de fabrieksarbeiders, Henri Pype bekommerde zich om de vissers die in miserabele omstandigheden leefden. In tegenstelling tot Daens was hij niet politiek actief.

Hendricus Fredericus Pype is geboren in een boerengezin uit Geluwe (arrondissement Ieper). Hij volgde college in Menen en trok daarna naar het Klein Seminarie in Roeselare waar hij les kreeg van de vermaarde Hugo Verriest. Daarna volgden nog vier jaar priesterstudies aan het Groot Seminarie in Brugge en in 1879 werd hij aangesteld als onderpastoor in Nieuwpoort. In 1884 werd hij onderpastoor in Oostende en in 1887 biechtvader in de Kapucijnenkerk, de kerk van de vissers in Oostende. 

Hij zette zich in voor het welzijn van de vissers en hun gezin. Ze leefden veelal in armoede, met kroostrijke gezinnen, meestal gebukt onder alcoholisme. Zo moesten de kroostrijke vissersgezinnen, vaak met tien tot twaalf kinderen, wonen in twee schamele kamers, nauwelijks verwarmd. Het geld dat de vissers verdienden, verdween veelal in de handen van de cafébazen terwijl de vissersvrouwen gebukt gingen onder de zorg om zovele monden te vullen. Zij verdienden wat bij met netten breien, garnalen pellen of visventen. Er waren geen sociale voorzieningen en bij ziekte, werkloosheid of overlijden verviel men in bittere armoede. 

Paster Pype zette zich met volle overgave in voor deze marginalen die aan de rand van de maatschappij leefden. Hij leefde mee met zijn vissersgemeenschap en trok zich hun problemen aan. Hij was niet te beroerd om bij ziekte van de visser zijn plaats in te nemen op het schip waarna hij het geld dat hij daarmee verdiende, gaf aan de familie. Geboren op het platteland, kende hij al gauw de verschillende vissoorten, de ligging van de zandbanken, de marktprijzen. De vissers beschouwden hem als één van hen. In 1886 werd hij aalmoezenier ter zeevisserij en vaarde mee op het wachtschip de Aviso zodat hij de vissers kon bijstaan en ook de kerkelijke diensten kon aanbieden. Bij de rijken in de stad ging de onderpastoor bedelen om de armoede van de vissers toch enigszins te keren, maar dat is natuurlijk geen blijvende oplossing.

Met zijn ingesteldheid als onderzoeker en met veel gezond verstand kon hij structurele maatregelen nemen die het leed konden verzachten. Zo richtte hij de vrije vissengilde op met een spaar- en pensioenkas en een verzekering tegen ongevallen op zee. Hij was ook de drijvende kracht achter de oprichting van de vrije visserijschool in 1888 in een geschonken pand in de Wellingtonstraat. De school had vooral aandacht voor de nieuwe ontwikkelingen in het vissersberoep, zoals de industrialisatie. De reders schonken sloepen en motoren zodat de jonge scholieren de kneepjes van het vak op het droge konden leren. Hij schreef zelf drie lesboeken. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er een nieuwbouw voor de visserijschool op de hoek van het Sint-Petrus en -Paulusplein en de Sint-Franciscusstraat, maar die werd in 1978 afgebroken. Het standbeeld van Paster Pype uit de visserijschool werd dan ten zuiden van de Sint-Petrus en -Pauluskerk geplaatst. Na zijn dood (in 1926 ten gevolge van maagkanker) werd de visserijschool naar hem genoemd.
Hij had ook aandacht voor het onderwijs voor meisjes als onderdeel van zijn strategie om de sociale achterstand aan te pakken. Ze konden er leren naaien en koken.
Paster Henri Pype werd begraven op de stedelijke begraafplaats aan de Nieuwpoortsesteenweg , het zogenaamde ‘oud kerkhof’. De begraafplaats werd in 1852 opgericht in Mariakerke, toen nog een zelfstandig dorp. In 2007 gaf men het ‘oud kerkhof’ de naam ‘Begraafplaats Paster Pype’. 

Nog enkele weetjes over de visserij.

Wist je dat men in de hongerwinter van 1942-1943 de haring gewoon uit de zee kon scheppen? Voor de bevolking was dit als manna uit de hemel. Niet minder dan 46.000 ton haring werd aangevoerd. Dat kwam door de visbeperkingen die de Duitse bezetter oplegde. De vissers konden dan vaak niet uitvaren, waardoor de visbestanden de kans kregen om zich te ontwikkelen.

Wist je dat de armoedige vissers uit Oostende in 1887 in opstand kwamen?De Oostendse vissers protesteerden tegen de oneerlijke concurrentie van de Engelse vissers die massaal hun goedkopere vis dumpten op de Belgische markt. Onze vissers moesten hun vis duurder verkopen omdat zij met oudere, duurdere technieken visten. Tijdens de Vissersopstand van 1887 werden op 24 augustus 2 vissers door de Burgerwacht doodgeschoten. Burgemeester Karel Janssens wilde koste wat kost een opstand tijdens het drukke zomerseizoen vermijden want veel rijke toeristen en zelfs koning Leopold II verbleven toen in de Stad. James Ensor maakte tekeningen, etsen en een schilderij van de dode vissers. De pas aangestelde Paster Pype zorgde voor een steunfonds voor de weduwen van de overleden vissers. 

Foto: standbeeld Paster Pype ten zuiden van de Sint-Petrus- en Pauluskerk, uit de Beeldbank Kusterfgoed.


Martine Meire

Martine Meire

Martine Meire heeft, vanuit haar engagement als cultuurwerker, vooral aandacht voor erfgoed en cultuur in haar thuisstad Oostende en de wereld. Meer over Martine Meire

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief
van Martine Meire

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.