Kraanvogels vliegen over en lente begint. Ik kan er warm noch lyrisch om worden, want voor het eerst moet ik – echt letterlijk – op een ander leunen. De glibbermodderbodem maakt stappen er niet makkelijk op. Wat ik nog niet weet, is dat ik mijn podologische zolen ben vergeten in mijn schoenen te steken. De linkervoet begint sneller dan anders te slepen. Almaar feller. Tot ie een volmaakte dropvoet wordt.
Mijn tenen laten een sleurspoor in de modder, en ondanks mijn stok verlies ik balans. Ik haak een arm in die van Rinus, vijfentwintig jaar ouder dan de mijne, om te vermijden dat ik val.
Behalve onvoorspelbaar blijft MS echt eng. Ik heb geen idee of, en wanneer dan, de voet terug dienst zal leveren. Dit is geen nieuwe opstoot, wel opflakkering van symptomen van een lang geleden reeds gepasseerde. MS laat littekens achter, verstard in mijn hersenpan, maar voorts blijken ze op alle manieren reactief en fluctuerend.
Wat later heffen alle tien de tenen weer, maar…
Mijn linker enkel voelt vermorzeld door een moker en mijn heupen als van binnenuit verbrand. Ik overdrijf echt niet, al drijf ik wel ferm over van verdriet. Bossen rondom, waarin ik nooit met mijn hond – en ook niet zonder – rond zal dwalen, lonken in het maanlicht tot gemis, gesnotter, tranen.
De pijn is niet te harden, zowel emotioneel als louter fysiek. Ik word er suïcidaalvoelend van, maar laat het niemand zorgen baren. Ik maak er, zo lachend mogelijk, een gokspel van: foute signalen van de zenuwbanen, of stapte ik met lamme voet de enkel echt kapot?
Place your bets.
Ten laatste volgende week donderdag weet u of u gewonnen hebt.
Tot dan, want nu leg ik me lam tot de lamlegmedicatie weer is uitgewerkt.
Namasté.


