De fysieke fysiologie van een slagveldsoldaat in een totaal andere context zo stoïcijns mogelijk toepassen om al het nodige zonder kleerscheuren of brokken uit te voeren en alle zinderende zenuwbanen per adem constant kalmeren tegelijk is niet makkelijk. Het vergt concentratie, concentratie op de achtergrond én op de achtergrond van dié achtergrond, met blind vertrouwen in Onverwoordelijks. Het vraagt overgave die zich niet laat managen. Ego kan echt niks behalve oude brokken nieuwe barsten geven, wat het ook verlangt. Ik doe er niet meer aan mee.
Geen paar dagen respijt na elk gisteren voor alweer een morgen begint, maar ik heb ze wel broodnodig. Elke nog niet verschrompelde breincel pas ik toe om zo bewust mogelijk te blijven. Om werkelijk gevaar van posttraumatische stress te onderscheiden. Om te anticiperen op alle mogelijke gevolgen van elke beslissing in elke seconde.
Met de best mogelijke ontvouwing op zowel korte als lange termijn voor ogen schat ik in, balancerend op consensus tussenin omdat ze tegenstrijdig zijn, en toch maak ik kleine en grote keuzes eerder intuïtief dan weldoordacht. Ik heb geen enkele andere optie bij de hand.
Het is heftig, het is vertrouwd, het is als mijn kinderlijk thuis in mijn ouderlijk huis. En hoewel geboren en getogen in de bramen zoek ikzelf niet langer telkens weer de doornen op. Vroeger wel, maar toen wist ik niet beter en wilde dan ook niet beter, en nu vlucht ik er nog steeds niet van weg, althans niet als ik merk dat een minderjarig meisje moeilijkheden heeft met mama-management.
Voor me doet een mama, die zichzélf moet managen – en andere wijzen dan controle houden tot ze ‘t opgeeft en ontploft kent ze niet – haar donquichotterigste uiterste best. Hij helpt niks, die gevechtstechniek. Het helpt zelfs niks om ermee te winnen, maar dat lijkt zijzelf niet zo te hebben begrepen in het leven. Nochtans wint ze louter instant gratification terwijl knuffels en zoentjes almaar verminderen, van aantal én van waarde, doorheen de jaren. De liefde die ze zo intens verlangt verdwijnt in verleden tijd, verder en verder weg. Ze kiest ten koste van geluk telkens weer gelijk. Koppig compulsief, een onontkoombare gewenningsgewoonte zonder alternatief. Ik gaf haar méér dan het voordeel van de twijfel, maar daar beland ik dan.
Alleen met een minderjarig meisje in andermans huis, terwijl de deur waaruit haar moeder verdween nog natrilt van nét niet uit de hengsels gesmeten te zijn. Fysiek verkiest mama gelukkig de deur ter destructieve ontlading van woede, verdriet, onmacht, en frustratie, maar dat verandert niets aan wat er met de rest gebeurt. En het verandert ook niet dat ze er geen zinvoller weg mee weet.
– ik vind dit echt niet oké, meid, ik ben al verdomde blij dat ze niet in die toestand in haar auto is gestapt.
– och die dreigt alleen maar, en ik zei u toch dat ge ze niet kunt vertrouwen?! mij kan ‘t niks meer schelen, zene…
– schatteke, ik weet het maar da’s omdat de laatste scherven van uw harteke zich proberen te bescher…
Ik herpak me. Het meisje weet immers zelf ook geen constructieve blijf met zulke zwaarwegende emoties, of hoe ze die gezond kan uiten. Mama geeft geen voorbeeld daarvan, en in dit soort beladen situatie heb ik geen ruimtetijd om haar de nodige aandacht te geven. Dit is niet het moment voor kwetsbaarheid. We moeten hard zijn en ons met plezier en humor redden. Dat andere moet dan maar weeral wat later. Altijd later. Misschien pas als mama al bejaarde is… of begraven. We veranderen instant van sfeer na een kort uitgewisselde stille blik vol onuitgesproken wederzijds begrip.
– … oei, hare gsm ligt hier nog, ze is écht wel fel over haar toeren
– haha, ma dan zal ze wel rap terug zijn, want die kan ze ni missen zene
– geven we ‘t nog vijf minuten? of wat doen we? want straks springt die nog echt in de vaart en dan voel ik verantwoordelijk… dit is er toch echt helemaal over eh zeg
– mja, doe maar beter wel, bel maar
– ok, niet bang zijn eh
– nee
Meisje noch mama blijken bang voor de agenten, maar ik daarentegen? Man o man… Helemaal overdonderd moet ik plots real life communiceren met volstrekt onbekende mensen wiens gezichtsmimieken ik niet gekalibreerd krijg zo snel. Drie tegelijkertijd! Twee in uniform waar grijpklare wapens aan hangen. Ik doe mijn best om mij zo normaal mogelijk te gedragen. Ik faal.
Een walkietalkie knettert onverstaanbaar een radiostem. Het lichaam geeft een schrikreflex. Pas op met mij zene want ik heb autisme en keiveel schrik van flikken! kreet ik snel. Per toeval sta ik voor intelligente goed opgeleide mensen met veel empathie en zonder medelijden.
Ik zoek gepaste woorden in de juiste volgorde. Dat lukt niet. Alles wervelt veel te snel als een woestwaterval tot in mijn keelholte terwijl een krop vol verdriet me daar tracht te verstikken. Niet erg adequaat zo, dat moet beter. Ik wil asap kort en eerlijk antwoord geven, zonder overbodigs bij. Mijn handicap en zijnswijze, zeker in deze omstandigheden, staan dat helemaal niet toe, en onder druk van alle gebeurtenissen vind ik er spontaan wat op:
Lijf vliegt vurig naar voren, recht naar de agent, met armen wijd open en toont duidelijk demonstrerend met decibels, woorden, en lichaam en al – antwoord op de vraag: Wat precies bedoel je met “tekeer gaan tegen dat kind,” kan je daar een voorbeeld van geven? De agenten begrijpen – gelukkig – mijn communicatie. Ik word niet overmeesterd met teasers of matrakken in aanslag. Mijn antwoord blijkt simpelweg duidelijk, en ‘t leven gaat voort.
Identiteitskaarten worden genoteerd, het voorval wordt aan het dossier toegevoegd, en de enge agenten – die ik nergens ter wereld ooit nog kan herkennen, althans niet zonder woordjes – verdwijnen weer. Eentje zei nog snel dat ik er goed aan had gedaan om te bellen.
Ik besef plots dat ik vergeten ben te vertellen dat we in feite belden omdat we niet helemaal gerust voelden dat de mama zélf wel veilig was, want die was overstuur de deur uit gelopen. Ik dénk dat ze dat deed om alles en iedereen zoveel mogelijk te beschermen. We wisten niet voor hoelang of waar naartoe. Welke windmolens haar snel wisselende wind tevoorschijn zou waaien eens ze terug was, was ook een raadsel.
Veel teveel stress zo, te weinig vertrouwen dat we het zelf gedeëscaleerd konden krijgen. Dat vertelde het meisje misschien aan de agenten, in haar eigen taal, welteverstaan. Ik weet het niet, da’s niet mijn zaak. Misschien is het ook niet belangrijk.
Haar mama was, kalmer maar duidelijk nog kolkend kokend klaar voor actie binnenin, terug thuis gekomen middenin mijn oproep met 101. Te laat om de oproep te cancelen. Ik hield die mens aan de lijn en bleef buffer tussen moeder en kind. Mij en de trap naar boven tussenin.
Trappen zijn gevaarlijk. Ik weet dat Jona me ooit bijna naar beneden heeft gestampt – en ik weet zeker dat een deel van mij expres op de bovenste trap was gaan staan óm naar beneden te worden gestampt. In mijn ouderlijk thuis waren zulke zaken heel normaal. A way to prove love. Opdat iemand zou begrijpen dat ie zelf óók iets heeft misdaan, en dat we hem of haar echt heel graag zien.
Zo ernstig belachelijk destructief voor iederéén is denken in termen van liefde verdienen, wiens schuld iets is of niet is, en of we goed genoeg zijn. Kindertijdontwikkelde denkkaders raken, tot biologische fysiologie toe, levensverwoestend diep ingebakken. Overheen generaties en culturen in de hele wereld. Is dat de bedoeling dan? Van dochter tot mama op dochter tot mama op dochter… zo tot het einde der tijden? Ik geloof dat de mensheid beter kan.
Ik veranderde dat voor mezelf doorheen de decennia middels boeken, therapieën, oefeningen. Omdat ík het zo wilde. Niet omdat het van een ander wel of niet moest. Niet omdat ik voelde alsof ik het Rondom iets moest bewijzen. Niet eens omdat in de fysieke manifestatie mijn kind nood had aan mijn stabiliteit, of toch minstens aan mijn erkenning voor de pijn die ik zo niet alleen in mezelf bleef slaan maar ook in hem of haar veroorzaakte met al mijn onmacht en onkunde.
Want ja, een kind heeft nood aan erkenning. Echte erkenning in daden. Niet in waardeloze sorry’s die telkens weer falen terwijl er niet eens geprobeerd wordt om duurzaam diepgaands te veranderen. Niet in materiële cadeaus waar het vervolgens dankbaarheid om moet schijnvertonen om de altijd dreigende windmolenwieken te ontwijken van een anders innerlijke strijd terwijl het niet anders kan dan er afhankelijk van zijn.
Nope, ik deed dat louter voor mezélf, en ik ben dan maar de weirdo in de grote-mensen-samenleving. Want ik gun mezelf beter dan dat, en ook deze moeder en haar kind wens ik beters dan dat.
Wat later nemen het meisje en ik afscheid met een korte knuffel en hernieuwde beloften. Haar mama en ik nemen afscheid met woorden waarvan ik hoop dat ze zullen bezinken en haar positiefconstructief richting helpen vinden. Ik wil ook haar zo’n knuffel geven – en het raakt me diep te voelen dat ze die eigenlijk enorm graag wil, maar ze zwijgt koppig stil als ik vraag om bevestiging.
Ik overnacht voor de zekerheid op de oprit, alles blijft rustig. Het meisje seint de volgende dag dat mama geen gewag maakt van precaire poespasdreiging, dat ze zich gerust genoeg voelt, dat ik weg mag rijden. Mooi zo.
Ik wens dat alles in almaar beter richting blijft ontvouwen. Ieder op zijn eigen tempo, ieder op zijn eigen ritme met eigen kracht, obstakels, gebreken en talenten. Stapje per stapje. Ik wens hen – en ook u en iedereen de aardkloot wijd – vredevol liefs in eigen hart opdat per individu doorheen de generaties het tij van de hele mensheid duurzaam tot mooiers zonder geweld kan keren.
Ach, mijn lieve of minder lieve Lezer, ik ben soms pijnlijk confronterend is me verteld. U mag me haten als dat u vooruithelpt. Ik houd van u, misschien tot volgende donderdag, en sowieso… Namasté.


