Is dit ons kindje???

Dit bericht is deel 11 van 12 in de reeks Pitou, de kat die er niet meer had mogen zijn

Ik ken veel mensen met één of meerdere poezen, of één of meerdere honden, en regelmatig hoorde ik, vooral dan van oudere “baasjes”: “Dat is ons kindje, echt waar!”
Ik zag ook heel graag onze poes, maar de liefde voor je kind is toch nog iets helemaal anders! Toch?
Ons eerste katje was Poes, ons “vondelingenkatje” dat plots kwam aangelopen bij onze caravan in de Ardennen. Dat mooie ros-witte katertje wist duidelijk dat ik degene was die moest worden overgehaald om hem in huis te nemen: overal liep hij achter me aan, kwam kopjes en likjes geven. Maar hij had een halsbandje om waarin de naam “Van Eyck” stond en een telefoonnummer waarin 2 cijfers ontbraken. Dat halsbandje betekende duidelijk dat het katje al een thuis had, dus vond ik dat we zijn thuis moesten zoeken! Het was de tijd van de telefoonboeken dus leende ik er een van de campingbeheerder en begon te zoeken… Het begon met 084, dus het was in de omgeving van La Roche, net als de camping. Alleen: ik vond geen enkele Van Eyck… Dan maar alle nummers overlopen! Geloof het of niet, maar geen enkel telefoonnummer leek in zoverre op dat in de halsband van “de poes”, dat we er de uitgewiste cijfers konden in passen! Dan maar naar het gemeentehuis! Daar was niemand met die naam ingeschreven! Maar als we even wilden wachten op de postbode die op dat uur ongeveer klaar zou zijn met zijn ronde en dan nog een paar uurtjes het postkantoortje in hetzelfde gebouw zou bemannen. Als iemand die naam zou kennen, was hij het wel! Dat gebeurde ook: de Van Eycks waren jonge Nederlanders die daar onlangs waren komen wonen en zich blijkbaar nog niet waren komen inschrijven! Het was in een piepklein dorpje een paar km verder in de heuvels.
Wij daar naartoe… Het bleek een bungalowtje te zijn in het midden van een tuintje, met daarrond een muurtje van zo’n 30 cm hoog. Er was echter niemand thuis. Tja, ‘die poes’ daar neerzetten en achterlaten was geen optie: als die mensen daar pas woonden was ‘die poes’ waarschijnlijk zijn huis, tenminste het huis waar hij tot voor kort woonde, gaan zoeken en zou hij meteen weer op pad gaan! Weer meenemen dus en ’s avonds terug komen!
Maar die avond, noch de volgende dag deed iemand de deur open. Maar onze vakantie was bijna gedaan en de volgende avond moesten wij weer naar huis! We belden aan bij de buren en toen bleek dat de baasjes van ‘de poes’ doodgewoon op reis waren en hun kitten van zo’n 4 maanden oud zomaar in die vreemde omgeving hadden achtergelaten! We moesten hem maar in de tuin zetten, vonden de buren! Daar was natuurlijk geen sprake van! Op een vodje papier uit mijn jaszak schreef ik iets in de aard van “Hallo. Jullie poes is gezond. We vonden hem hier kilometers vandaan en vinden dat we hem, nu jullie de eerste week zeker nog niet terug komen, niet kunnen achterlaten in een voor hem nog vreemde omgeving! We nemen hem dus mee naar ons huis en zullen er goed voor zorgen!” Verder: geen naam, geen adres, en geen telefoonnummer! Dat verdienden ze niet… En daarbij: vanaf die dag was hij van ons, onze Poes ( ja, met een hoofdletter deze keer want dat was voortaan zijn naam!), die ontzettend graag bij ons lag: op onze schoot, onze borst, in onze nek…, maar ook een leuke gewoonte had: als papa opstond ’s morgens, ging hij na het begroeten heel rap op papa’s plekje in bed, onder het deken liggen met zijn kopje op het hoofdkussen!
Twaalf jaar is hij bij ons gebleven, en hebben we hem ontzettend graag gezien. Toen begaven zijn niertjes het… Ons “kindje”? Neen, het liefste katje ter wereld was er niet meer…
Een paar jaar voor we Poes met veel pijn in ons hart moesten laten euthanaseren, was er op een stormachtige dag een ander ros katertje ons huis binnen gevlucht. Dat vergeten we ook nooit: er belden 2 Getuigen van Jehova aan, en toen ik de deur openmaakte snelde het jonge katje “roetsj” de gang in…
“Is die van jullie?”
“Neen, maar die loopt met ons mee en probeert overal binnen te raken!”
Het was wat wij in Oostende noemen: een “vliegende storm”, geen weer dus om zo’n klein beestje buiten te zetten! Dus mocht hij in de garage logeren. Ondertussen zouden we proberen zijn baasjes te vinden. De jongens en ik gingen briefjes in de bussen steken, maar er kwam geen reactie. Ondertussen mocht die kleine pruts nog een paar dagen in onze garage blijven. Niet in huis want misschien was hij ziek of had hij vlooien, en daar wilden we Poes niet aan blootstellen. De kleine “pruts” was ontzettend lief en sprong van zodra we de garage binnenkwamen, meteen in onze nek. Daar ‘gaf hij kopjes’, spinde ongelooflijk luid en kwijlde onze kleren nat! Papa en ik wilden hem naar het asiel brengen, maar dat was buiten onze zonen gerekend! Die begonnen luid te wenen en riepen dat hij daar een spuitje zou krijgen!
We lieten ons overhalen op voorwaarde dat de dierenarts zou verklaren dat hij geen gevaar zou zijn voor Poesje.
En eigenlijk was ik stiekem al een beetje verliefd op die kleine pruts!
Bij de dierenarts stond ik perplex! Thuis was dat rossekopje met zijn vacht als een ”buitenborstel” ontzettend lief, maar toen de dierenarts hem na het onderzoek wou inenten, bleek ik een rosse leeuw te hebben meegebracht! Hij vloog de kasten en rekken op, gooide alles wat niet te zwaar was op de grond en maakte een hels lawaai! De vrouw van de dokter werd erbij geroepen en zij en ik samen hadden de meeste moeite om dat kleine prutsding stil te houden zodat hij kon worden ingeënt! De dierenarts zei dat hij duidelijk wel aan mensen gewoon was maar waarschijnlijk zelf zijn eten bij elkaar moest zoeken en dus ook half wild was…
Maar we hadden gezegd dat hij zou mogen blijven, dus Pruts (jawel: ook weer met een hoofdletter nu, we houden het graag simpel) ‘deed zijn entrée’ in huize Deprez!
De twee katertjes konden goed met elkaar overweg. Het waren twee ontzettende knuffelaars, heel zacht ook, ook het vachtje van Pruts was door de goede verzorging erg zacht geworden… Maar Prutsje was duidelijk wilder dan Poesje, en, misschien omdat hij toch een aantal jaren jonger was, veel minder gehoorzaam. En vooral: gefixeerd op voedsel, vooral dan op vlees! Tijdens het bakken van vlees moest ik mijn pan in het oog houden, en een fractie van een seconde wegkijken van je bord? Dan was je vlees weg! Er is ook iets wat nu nog regelmatig verteld wordt in de familie: op een zomerse dag had ik een koude schotel gemaakt met onder andere asperges in hesp! Voor iedereen 2 rolletjes. Ik wilde mijn tweede rolletje nemen, maar dat was er niet! Hoeveel heb jij er genomen? En jij? En jij? Zou ik me nu echt vergist hebben? Tja, dat kan gebeuren zeker?…
Bij het afruimen kwam ik uit de keuken en mijn blik viel op het tapijt onder de tafel: wat lag daar nu? Jawel: 4 asperges! Zou hij echt? Dat kon toch niet? Tot ik een paar dagen later de tafel had gedekt en ik iets raars zag! Het tafellaken kwam tot net een paar cm boven de stoelen, en ik zag aan de voor mij verste kant van de tafel een ros pootje voorzichtig tasten…ik kwam op mijn tenen naderbij en ja: verstopt onder het tafellaken zat “iets” waarvan ik enkel een volledig rosse poot boven de tafel uit zag komen en in het rond tasten : dat kon enkel Pruts zijn! Het mysteries van het hespenrolletje was opgelost!
Toen Poesjes nieren het opgaven en we hem “een spuitje lieten geven”, waren we er allemaal het hart van in, ook Prutsje die dagenlang voor zich uit lag te staren. We dachten dat een nieuw vriendje misschien zou helpen, maar vonden hier in de omgeving geen jong beestje. We hoorden dat er in Ursel, in Oost Vlaanderen, bij de buren van de vriendin van mijn oudste zoon, een nest was waarvan ze één kitten (die zo’n maand of 4 oud was) niet konden plaatsen. Eén katertje hielden ze zelf maar het kattinnetje mochten we komen halen. Ze waren geboren op de dag dat Prins Filip zijn verloving aankondigde met Jonkvrouw Mathilde d’Udekem d’Acoz. En geloof het of niet: de kittens heetten Filip en Mathilde! Ik stelde me voor dat ik in de tuin zou staan roepen (op zijn Frans) “Mathieieieield!”, en besloot om haar meteen te herdopen! Ze zou voortaan door het leven gaan als Pernukkel! Voor mijn part mocht dat “Jonkvrouw Pernukkel” zijn … maar ik veronderstelde toch dat bij haar ouders thuis, Jonkvrouw Mathilde wel gewoon Mathilde zou genoemd worden, dus zou dat met Pernukkel ook wel lukken, zonder haar titel ervoor!
De weg naar huis was een verschrikking: Pernukkel gilde de hele weg naar Oostende! Ook toen we later met haar naar de dierenarts reden: het leek elke keer wel brandalarm! Het beestje was bang van alles en iedereen. In het begin leek ze wel graag in het gezelschap van Pruts te zijn, en hij? Hij nam de rol van Poesje over: hij voedde Pernukkel op, maar dat deed hij vooral ook bij zichzelf: Prutsje stal niets meer, sprong niet meer boven op het wandmeubel of op de koelkast… kortom: hij gedroeg zich als een modelkat! Zat Pernukkeltje op het wandmeubel dan zorgde hij dat ze direct naar beneden kwam, en het aller-, allerbelangrijkste: als ze haar sirene aanzette dan eiste hij dat ze stopte, als het moest met een paar flinke tikken tegen haar kopje! Maar toen ze iets ouder werd, waren ze niet meer zo’n goede vrienden en leefden ze meer naast elkaar. Pernukkel werd echt “eenzelvig”, “introvert”, of hoe je het ook noemt. Ze wilde met niemand contact en verstopte zich liefst van al in een donker hoekje. We hadden al een dierenarts ingeschakeld die gekend was om niet enkel naar de lichamelijke problemen van de dieren te kijken, maar ook naar hun “mentale” toestand. We hadden gewerkt met feromonen en met medicijnen, maar niets hielp… Prutsje kwam nog meer dan vroeger vleien en op onze schoot liggen… Hij had dat contact echt nodig, en Pernukkeltje niet, jammer genoeg…
Toen begonnen we Pruts mee te nemen als we de zomervakantie doorbrachten op de camping. Pernukkel bleef thuis bij de jongste zoon. Pruts liep heel graag aan de leiband als we in de bossen gingen wandelen, en als ik hem in de daarvoor gekochte schoudertas meenam naar een markt of zo, stak hij zijn kopje naar buiten om door de omstanders gestreeld te worden! Hij was in de tas vastgemaakt aan zijn lange leiband, en heel regelmatig sprong hij op de grond om zijn pootjes te strekken. Was hij “moegewandeld”, dan klom hij weer in de schoudertas die ik, als hij eruit was, gewoon laag in mijn hand vasthield.
Als we in La Roche waren gingen altijd een koffie drinken in Café du Bronze, en dan bleef Pruts flink, naast me op de bank, in zijn schoudertas zitten tot ik een opengevouwen servetje op de tafel had gelegd en hij hoorde dat ik onze melkjes opentrok. Dan zette hij zijn voorpootjes op het servetje en likte de 2 potjes melk uit! Hij was dan de attractie van het café! Iedereen kwam aangelopen met hun niet verbruikte melkjes en begrepen het soms niet als ik zei dat 2 melkjes voldoende waren, dat hij anders diarree zou krijgen… Want daar zaten we echt niet op te wachten… Hoewel we daar toch eens heel hard om hebben gelachen, indirect weliswaar. In de caravan stond de kattenbak in het mini badkamertje van één dikke m² groot. Op een dag zouden we net aan tafel gaan toen Pruts de deur van de badkamer open trok om naar zijn kattenbak te gaan. Hij zette zich klaar voor een grote boodschap, dus duwde ik de deur bijna helemaal dicht zodat hij hem zelf weer kon openduwen. Zelfs met een deuropening van een paar millimeter stonk het in de living verschrikkelijk! Wij zouden wel even wachten om te beginnen eten… Wij wachtten… en wachtten… en wachtten… Ik dacht: “dat blijft maar duren, er is toch niets met hem gebeurd?” en ging kijken… Ik schoot in een lach en riep Papa om te komen kijken: Pruts zat op de wastafel, met zijn neus door het kleine klapraampje geduwd! Zelfs hij vond dat de stank niet te harden was en zat, terwijl wij wachtten om te eten, door het raampje frisse lucht in te ademen!
Thuis ging hij mee in een mandje vooraan op de fiets, naar mijn schoonouders bijvoorbeeld. Onderweg zat hij rond te kijken naar alles wat er onderweg gebeurde, en bij “Marraine en Parrain“ was het altijd feest: wat melk op een bordje, heel veel knuffeltjes (die terugbetaald werden met ontelbare likjes…) en dan alle hoekjes en kantjes van hun ruime appartement gaan ontdekken. Wij, maar ook alle anderen, zagen dat beestje ontzettend graag! Maar het was toch “ons kind” nog niet…
En toen verloren we ook onze Pruts… Toen Papa in Brugge in het ziekenhuis lag werd zijn nierziekte steeds erger, en Prutsje werd meer en meer apathisch. We zouden niet zo lang wachten als met Poesje, niet meer tegen beter in bij de dierenarts aandringen om nog eens vocht toe te dienen, niet meer zijn lievelingskostjes klaarmaken en in ijsblokvormpjes invriezen zodat hij op een dag veel kleine beetjes te eten zou krijgen (voor Poesje, die echt geen kattenvoer lustte) was dat o.a. kip met sinaasappelsaus en spaghettisaus met veel look!). Ik bracht hem op een avond naar Brugge waar Papa in de auto afscheid van hem kwam nemen. De volgende dag na het werk had ik een afspraak bij de dierenarts, maar zover kwam het niet: die nacht begon mijn katje te grommen en met de pootjes te slaan… Ik nam hem op schoot om hem nog wat te strelen en lieve woordjes toe te fluisteren, en plots gaf hij zijn gevecht, want dat leek het echt, op en stierf hij in mijn armen, met zijn kopje nat van mijn tranen…


Juf Else

Juf Else

Else Huisseune is geboren en getogen in Oostende, als dochter van een politieagent en de conciërge van de Hendrik Conscienceschool. Na haar studie als kleuteronderwijzer, zoals dat toen heette, aan de Rijksnormaalschool te Brugge, werkte ze 5 jaar als opvoedster in een tehuis voor gerechtskinderen en deed ze een aantal jaar interims in diverse scholen langsheen de kust. Tot ze weer stond waar ze ooit de kleuterjufmicrobe opdeed: de Conscienceschool in Oostende, waar ze werkte tot haar pensioen. De laatste 2 jaar als directeur, maar overwegend, en met héél veel liefde: als juf van de “kabouterklas”, bij de 2.5 jarigen. Daar werd ze “Juf Else” genoemd, door de ouders, grootouders en de generaties peutertjes die ze leerde “graag naar school komen”, want dat vond ze het allerbelangrijkste van haar job! Iedereen in de wijk kende juf Else, en ze was, en is nog steeds fier als men haar met die eretitel aanspreekt! Ze trouwde en kreeg twee fantastische zonen, een schoondochter uit de duizend en, in de loop der jaren, een hele rij “kleinkinderen” met een snor en een staart. Een “zittend gat” had ze niet echt want ze vulde haar schaarse vrije uurtjes graag met allerlei vrijwilligerswerk. Nu echter geniet ze van het reizen, rijsttafels klaarmaken voor familie en vrienden, en tijd doorbrengen met haar kinderen. Meer over Juf Else

Pitou, de kat die er niet meer had mogen zijn

De kat die er niet meer had mogen zijn…maar gelukkig nog altijd bij ons is! Is dit ons kindje? …Pernukkel…

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrieven van Juf Else

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.