Triestig voor ego, zeg. Doorheen alle decennia bewaart dit ik iets echt exclusiefs. Iets in mezelf voor louter mezelf, terwijl het – theoretisch althans – nog te delen valt met alleen mijn Lief en niemand anders. Niet dat ik zelfs maar een poging daartoe in praktijk nog had verwacht, maar ik stel me er al wel een hele poos eerlijk voor open.Het mijne werd, temidden van alle sociale overweldigingen vol bijzonder botsende verbindingen, of net intense synchroniseringen, een solitair pad. Vol moois, verwondering, en gevoelens. Vol inspiratie, en numineuze momenten samen met Onverwoordelijks en alle energieën erin vervat.
Ik voelde een soort cadeautje onderweg naar me.Een volgend level in het leven. En ik weet uit ervaring dat elk level zo zijn eigen level’s bosses kent, maar… Nee. Niks maar.
Ik vervolg mijn pad vol vertrouwen, zonder andermans drama, en diep dankbaar.
Een zonnestraal weet zich magisch bevestigend doorheen het wolkendek te boren. Weemoedig word ik ervan, maar gelukkig doet het lichaam niet al té vervelend op het moment. Soms word ik ernstig suïcidaalvoelend ervan. Te felle fysieke rotzooi en melancholie gaan niet goed samen, maar het lukt om zonder katheter te plassen. Het vergt een huzarenwerk van concentratie, bewuste ademhaling, en gebruik van spieren die ik niet eens wist dat ik had, maar uiteindelijk lukt het meestal wel op eigen kracht.Het Lief dat niet mijn lief wil zijn, en mij omgekeerd niet als dusdanig wil ervaren, vindt dit alles ongetwijfeld zelfmedelijden. Terecht. De mens is ook uitermate intelligent, we zouden anders heus niet kunnen viben zoals – in míjn wereld althans – alleen wij twee soms doen. Zelfmedelijden is echter ook mijn innerlijke recht. Ik gun mezelf heel bewust mijn momentjes van diep medeleven met mijn onmacht, pijn, en verdriet.Wie de kracht van zelfmedelijden niet onderkent, vond vast nog nooit het licht dat achter de duistere schaduw van zelfkritiek op inzicht wacht. Als een trouwe achterban vol liefde. De allerénige, die ego onmogelijk kan verliezen.
Ik wip dankbaar die diepte in om de schaduw te doorwaden en vervolgens uitgebreid te baden tot ik weer kan stralen. Sure, ik leerde dat traag en met scha en schande in mijn kielzog. Ik leerde in het leven dat allesverslindende in te wippen zonder te verdrinken. Vaak als een dolfijntje in de oceaan, soms als een hongerige haai, en nu als een veel te dikke doodvermoeide moegeleefde walvis.
Maar ziet u, mijn Lezer, van alle sjamaanse totemdieren haalt alleen de walvis de grootste, oudste, en belangrijkste wijsheden naar boven. Zoiets vraagt niet om schaamte – wat een Lief dat geen lief is, of eender welk ander, daar ook van vindt – ik adem, en diepduik Arjen achterna de donderdag in.
Niks of niemand in dit leven lijkt bereikbaar voor me én klaar om van te houden en mij lief te hebben omgekeerd. Misschien ooit de huidige man, of de eerste die ons Drakenhart wist door te stromen. Beide hebben werk met zichzelf voor ze zelfs maar aan een ons zouden kúnnen proberen beginnen. En ook als één van hen, of wie zo nog rondloopt ergens op de aardkloot, dat überhaupt zou willen – en ik weet dat zulke wezens uitermate zeldzaam en bijzonder zijn: volgens mij begint dán pas het moeilijkste deel van mijn eigen werk met mezelf. Strong enough van Sheryl Crow is er niks tegen, en een klein meisje dat wacht op haar spreekwoordelijke prins zou er belabberd moedeloos van worden in een lichaam met brein van middelbare leeftijd dat nu al op instorten staat.
– Zég!!!!!
– Wat is er, lieveke, tekst te zielenaakt naar uw zinnewilleke?
– … Ja!
– Ach, zo verlegen, maak u niet druk.
– … Ik ben niet moedeloos!
– Gij ervaart tijdloos. Ik ben volstrekt uitgeput, ík ben moedeloos. En uw draakjesdiepte kan niet manifesteren in Alwatis als mijn berenhol geen Dídean maar een doodskist is.
– Ok, ok… Doe maar uw diepduikding.
– Yeah, per meditatie, mee met u de Droomtijd in.


