Ik schuif me schriel verloren in het schuifscherm, en in alle vakjes van mijn Dídeans kastjes vind ik alles wat ik niet zoek want ik ben vergeten wat ik zoek tot ik het in vizier vind wanneer ik niet meer weet waarom ik het zocht.
– jij moet rusten, jij moet Droomtijd in, dringend!
Ik leg me te liggen. Kussentje in mijn nek… Aargh, neeje. Kussentje onder oor? Wow, niksnionderoor, wèg! Oor voelt straal ontstoken – weeral, maar ‘t is het nooit – en niksnikussenniks! Alles wegwegwég. Bloedbaan voelt als stroomkabel, elk weefsel drukt er tegenaan, fuuuuuuucccckkkk, doe toch weg weg weg!
– je moet rusten….
– hoe dan, hoe?
Er gulpt non-stop fantoomwater vanachter links uit mijne kop alsof het alle bosbranden ter wereld kan en zál gaan blussen hier en nu. Als ik ‘t hoofd probeer te laten rusten is ‘t alsof alle huid van mijne nek aan die kant instant verschroeit tot waar het tandzenuwen raakt. En ergens diep diep binnenin, achter dat oor, veel dieper dan geluidsontvangst, voelen mijn hersenen beschadigd.
Het zijn oude symptomen, medicatie weet ze in te tomen, maar ze zijn terug terwijl ik niet één pilletje vergeten ben. Niemand weet tot wanneer, want zo werkt dat. Het is heel gewoon, niks aan de hand, alleen maar wat meer stress gehad dan ik aankan en dit zijn de gevolgen dan.
Op die voelbare plek ís er niets eens aantasting, en ook geen laesie van MS. Duidelijk te zien is dat, op elke MRI, ik zie dat ook. Vreemd genoeg is er een verwaarloosbaar piepkleintje, preciés daar, aan de gespiegelde kant. Waar ik niks vervelends of raars ervaar. Het lijkt erop dat dat piepkleine beschadigingetje, dat alle réchterzenuwbanen raakt daar, me onverklaarbaar tormenteert aan de linkerkant.
Zotte ziekte is’t om mee te zitten!
Veel anders kan ik er niet mee op dit moment, niet eens liggen. Vorige donderdagsmiserie is ook nog niet geheel voorbij, en ik voel niet helemaal gerust dat het niet misschien een nieuwe opstoot is, hoe veelvoorkomend en typisch ook de kaksymptomen.
Ik wacht op instructies. Ik wacht op iéts. Zelfs ferme felle buikkrampen zouden welkom voelen. Althans minder bevreemdend dan het volstrekte níks dat ik ervaar. Maar ‘k probeer balans te vinden tussen afzien en me amuseren. Zonder dat laatste kan ‘k niet overleven, ik red dat niet, ik ben te zwak, dat is al zo mijn hele leven.
‘t Is zoals de giergibbergiechel wanneer papa een leeg fop-ei bij ‘t ontbijt met een lepeltje de kop in slaat tot lachen weeral niet mag van mama en in emotioneel armageddon ontaardt.
Vandaar zit ik dus, mijn mistige hoofd onder de airco, zo vrolijk mogelijk mijn toekomstige camper te manifesteren. Dídean zal dan andere dingen gaan doen, en ik net nog wat vlotter wat ‘k te doen heb in ‘t leven, in net nog wat meer van alle voorkomende levensomstandigheden.
Druk aan ‘t ontwerpen ben ik, en ‘k probeer ervan te genieten, maar ‘k schuif me schriel verloren in het schuifscherm, en in alle vakjes van mijn Dídeans kastjes vind ik alles wat ik niet zoek want ik ben vergeten wat ik zoek tot ik het in vizier vind wanneer ik niet meer weet waarom ik ‘t zocht.
– je moet rusten!
– dat weet ik… dat wéét ik!


