Ze zijn bang van mij, is me verteld. Kan je nagaan. Als er iets van mij was om – op de manier waarop me werd verteld – bang van te zijn, waren ze al heel lang geleden wel vaker ernstig gekwetst in ‘t ziekenhuis beland, of doodgegaan. Het waren doorheen de jaren niet zíj die in hulpverlening of ziekenhuis belandden, zeldzame collocatie en stages uitgezonderd. Het vaakst was ik dat.
Niet dat ik een engeltje was, vérre van. Ik herinner mij bv dat mama de politie belde omdat ik naar haar gestampt had. Toen was ik 14, en ik ontkende de aantijging niet, maar wat die vrouw aan het doen en zeggen was geweest die ochtend, vóór ze mij zover had dat mijn been uitschoot en mijn teen één van de twee billen raakte die ze zonder slip naar me moonde bij de woorden “Kust mijn gat, vuil hoer!” toen ik haar om op school benodigd schoolreisgeld vroeg, vond ik toch ook wel relevant.
Ze bedoelde dat niet letterlijk als een bevel, maar mijn been en teen luisterden blijkbaar wel. Die handeling van haar was in feite veel meer misdaad dan als minderjarige, in een door moederlief getergd geteisterd onmachtig verdriet, brullen en tieren en ten einde raad een stamp geven. Niet dat ik het goedkeur, dat doe ik absoluut niet, het was desondanks één uithaal van mijn been, en verre van wat ze tegen de politieagent brabbelde over zogezegde voortdurende fysieke oudermishandelingen.
Ik kwam te laat op school die dag. Uiteraard. Weeral. Ook dáár ruzie en strafstudie. Ik kon ook niet mee op schoolreis, al kreeg ik – eens hij thuis was – het benodigde geld van papa wel, want de bus was al vertrokken. Ik kocht er dan maar een fles whisky en weed mee, misschien zelfs lsd, dat weet ik niet meer.
In ieder geval.
Mijn spontane, compulsieve, pervasief ontwikkelde reacties op psychische en emotionele en soms ook fysieke mishandelingen zijn er geen die ik goedkeur. Niet alleen spiegelen ze alle geweld met dezelfde wansmakelijkheid en staan ze de ander toe alle verantwoordelijkheid in mijn schoenen te schuiven… Ze doorbreken de cirkel van mishandeling niet.
Respect en privacy zijn niets dat ik ooit kreeg – ik kreeg wel veel ruzie dat ik dat eerste niet had maar ik wist niet eens wat het was – en alleen het laatste kon ik afdwingen. Tot en met heden erken ik mijn eigen wansmakelijheden waar ze terecht zijn, maar telkens er uiteindelijk iémand ten gevolge van mijn geweld in het ziekenhuis belandde ben het altijd ikzelf geweest.
En nu… Nu blijken ze bang, zo zei men mij, bang dat ik fysiek agressief zou worden naar hen toe. Niet onlogisch, want – na ondertussen dik 40 jaar proberen met alle liefde en begrip van de wereld een manier vinden om haalbaar vertrouwend en veilig met die mensen te communiceren ondanks mijn, en vooral ondanks hún, problemen… Viel de allerlaatste druppel in mijn emmer.
Ik excuseer alle narcistische gedrag niet langer vanuit liefde en begrip voor hetgeen elk van ons heeft doorstaan. Want bóvenal mishandelen ze zichzelf, telkens weer en keer op keer, en niemand krijgt mijn handicaps en ziekte nog langer als excuus van mij. Niet ikzelf, maar ook niet zij.
Ik sta niemand nog toe zichzelf of een ander wijs te maken dat ik het afhankelijke blok aan been ben waarvoor wordt gezorgd terwijl er amper ooit echt wat zinnigs voor me door betrokkenen werd gedaan behalve het zogenaamde goeds, ge weet wel, dat waarmee alle wegen naar de hel zijn geplaveid.
En er is geen sociaal kader meer over dat mij zou weerhouden om mensen te slaan, te wurgen, de keel over te snijden,… – mócht ik dat willen. Ik ben ook existentieel depressief genoeg, én gewend genoeg aan mezelf volstrekt wegcijferen, om door te kunnen slaan. Theoretisch dan toch. In praktijk gebeurde dat vroeger overigens wel vaker, vooral in de zin van geen reet meer te geven, of zelfs maar te kúnnen geven, om wat de mogelijke gevolgen voor mezelf zouden zijn.
Best beangstigend, kan ik me voorstellen. En tot andermans spijt, heb ik ook geen imago of status te beschermen. Ik heb geen job, klanten, of patiënten te verliezen. Ik heb zélfs geen vrienden te verliezen, want ik verlies geen vrienden omdat vrienden míj niet snel verliezen ongeacht wat de fuck ook mij van hen wegdrijft. En het idee van geheel verstoten te worden, na van geboorte af in een volstrekt gedesorganiseerde chaos van afwisselend geheel verstoten worden en geheel opgeslokt te worden ter zelfbevrediging, is ook niets wat ik vrees. Baseline van geboorte af, en het emotioneel loodzware gewicht daarvan werd zowat het enige dat onze familiale link in mijn leven tot nu toe bevestigen bleef.
En dan zouden zij bang zijn van mij?
Zal ik even uitleggen hoe dat komt volgens mij, mijn liefste Lezer. Er zijn – behalve deontologische codes; punten proberen scoren; proberen controleren en managen wat buren en dorpsgenoten allemaal denken en niet denken; proberen vermijden van wat zij als “schandalen” omschrijven;… – nog ándere redenen mogelijk om ouders, lief, broer, zus, en zowat eender welk medemens op aarde, fysiek noch ander kwaad te willen doen en er, zo veilig voelend mogelijk, voor te proberen zorgen.
Die redenen kénnen zij echter niet in eigen ervaringswereld. Niet dat ik dat zeker weet maar goh, ik vind doorheen de jaren almaar minder signalen die op iets anders wijzen en ik ben er decennialang naar blijven zoeken. Soms kreeg ik er zelfs hele duidelijke, alleen om vervolgens met de klank van pure horror te worden uitgelachen omdat ik erin was getrapt.
Als iemand, na decennialang een volstrekt verkapte voetveeg te zijn geweest, een stille lakei van andermans egomechanismen om overeind te blijven onder de druk van hun eigen geweten, plots besluit dat het genoeg is geweest, zal dat wel wat intimideren.
Ze hoeven zich geen zorgen te maken. Stiekem doen ze dat ook helemaal niet, volgens mij, want ik ben nog altijd ik. Niemand in de wereld weten dat beter dan zij. Er is niets fysieks van mij waar zij bang voor zijn. Het is iets anders dat hen bang maakt, want ik is nog altijd ik. Ook als ik niet langer bliksems afleid, niet langer bereid ben kernkarakters te verdedigen omdat ik ze graag zie, niet langer vastgrijp aan verstoting en plaatsvervangende verantwoordelijkheid alsof het een vorm van liefde is.
Volstrekt onbekend bestaansgebied.
Een welgemeende fuck you. Ik kan alleen maar hopen dat mijn zus het fatsoen heeft mij te verwittigen als ze effectief doet waarmee ze dreigt. Als ze dat doet, hoop ik dat gemeente en regering mij tijd gunnen om administratief te heroriënteren door mijn referentie-adres als nomade tijdelijk te bewaren op adres van het gemeentehuis zelf, of van het ocmw.
Anders kom ik in administratieve miserie en nog meer te kosten aan de maatschappij, da’s nergens voor nodig. Ik kan – nog steeds – mijn plan trekken met scha en schande en met louter mijn invaliditeitsuitkering. Ik ben de nodige stappen aan het zetten zo snel ik mogelijks kan om veilig te zijn van machtsmisbruik maar het vergt tijd. Hun comfort van na mijn overlijden alleen maar heel makkelijk mijn busje naar Noah of oud ijzer te hoeven brengen en mijn lijk voor mijn part nog het liefst als voer voor vale gieren te gunnen verdwijnt, maar hé euh, het zal me wat. Ik heb het gehad met tot in alle onmenselijk verst reikende uithoeken als Elizabeth Warden te bestaan en geheel futiel mijn uiterste best te doen om die mensen hun stress te proberen in te perken zonder helemáál dood te gaan.
Ik ben er helemaal klaar mee.
Bovendien heeft papa mij verzekerd dat alles voor zijn en mijn moeders zorg tijdens hun laatste hoofdstuk goed geregeld is. Ik durf daarop vertrouwen. Het prachtige potentieel dat hij met veel liefde voorzag in de basis van de bouw van mijn ouderlijke huis, neemt mijn mama jammer genoeg mee in haar narcistische zucht naar erkenning en moederliefde die ze ocharme zelf nooit heeft gehad, en dus ook mee in haar graf. Mijn vader heeft daar vrede mee en dus – al vind ik het sneu – is dat helemaal goed wat mij betreft, respect.
Zelf zal ik misschien proberen om een andere oude, mij geheel onbekende, man, die niet anders kan dan zijn al vier decennia lang vertrouwde flatje te verlaten als ik het moet bewonen omdat mijn moeder en zus stuipen en stress krijgen van zelfs maar een referentie aan mijn bestaan, te gunnen dat hij op zijn vertrouwde plekje kan blijven tot zijn overlijden. Het is immers niet moeilijk om referentiehouder te zijn, ik kan hem dat vast wel leren, en ikzelf heb het flatje pas nodig als het lijf voorgoed opgeeft te kunnen rijden en tot dan mag die mens daar van mij gerust blijven.
Tijdelijk is het weer es moeilijk, overigens, rijden… Ik was eindelijk terug wat stevig op mijn poten beland met een lijf dat werkte, en dus was ik vol liefde, overgave, en energie herbegonnen met al mijn werkjes, en terug kleine en grote giften voor de vzw aan het verzamelen. Vergat ik in al mijn enthousiasme toch wel mijn stok, zeg, omdat ik niet voelde dat ik die – soms – echt nodig heb. Vergat ik alert te blijven op mijn – soms – slepende linkervoet. Hij faalde nét toen ik, tenentippend op de traptree op het foute been balancerend, naar iets op het dashboard reikte.
‘t Lijf stortte een half metertje naar beneden, ribbenkast smakte op de beenharde rand van een oldschool Sparco kuipzetel, en nu moet ik een zes- à achttal weken helen van een gebarsten of gebroken rib. Het heeft geen zin röntgenfoto’s te laten nemen. Er valt toch niks aan te doen behalve niet te diep inademen, rechtop rusten, niet teveel en vooral niet te plots bewegen,…
Voor wie, net als ik, niet wisten dat MS soms ferme barsten en breuken ten gevolge heeft… Bij deze, mijn Lezer, we zijn nooit te oud om bij te leren.


