Er zijn woorden die je niet zomaar uitspreekt. Niet omdat ze verboden zijn, maar omdat ze klinken als een luciferdoosje in een kamer vol gas. “Blank.” “Hetero.” “Man.” “Middelbare leeftijd.” Elk woord een echo, een context, een geschiedenis die zich niet zomaar laat afschudden. Maar ik ben ze allemaal. En ik ben niet beschaamd.
Niet uit verzet. Niet uit nostalgie naar de tijd dat je nog gewoon (zogezegd) “normaal” mocht zijn zonder dat iemand daar een paneldiscussie over organiseerde. Gewoon omdat het klopt. Mijn huid draagt het bleke archief van noordelijk zonlicht. Mijn voorkeur is vrouwelijk (ik kan hier in detail treden maar doe dit wijselijk niet. Zo houd je een goed huwelijk gaaf.). Mijn gender is mannelijk, sinds mijn geboorte en ik ga er van uit dat ik ook als man zal sterven. Mijn Spotify herkent Dire Straits, Hooverphonic, Nirvana en Chris Rea sneller dan ikzelf. Ik ben Johan. En ik ben een blanke heteroman van middelbare leeftijd.
Ik ben geboren in 1978. Gen X. De generatie tussen cassettebandjes en Napster, die de genialiteit van beide erkende, en tussen punk en pragmatisme. We leerden wat ironie was voor we engagement leerden kennen. We groeiden op met de belofte van vrijheid, maar kregen vooral nuance. We zijn de generatie van “doe maar gewoon,” maar ook van “laat me met rust.” We zagen de wereld veranderen zonder dat iemand ons vroeg of we mee wilden. En nu, op deze leeftijd van bijna een halve eeuw of net daarvoorbij, willen we vooral helder zijn. Niet luid, niet stil, gewoon helder.
Ik heb respect voor de LGBTIQ+-beweging. Echt waar. De moed, de taal, de ruimte die ze heeft geclaimd: bewonderenswaardig! Ik zie hoe woorden als “non-binair” en “transvrouw” niet alleen duiden, maar ook beschermen. Een soort linguistiek forcefield tegen onbegrip. En dat is nodig. Want de wereld is niet altijd zacht.
Maar ik geloof niet dat bewustzijn van privilege automatisch schaamte moet betekenen. Bewustzijn kan ook gewoon betekenen: ik weet het, ik zie het, ik geef het ruimte. Zonder dat ik mezelf hoef te wissen als een fout in een Word-document. Zonder dat ik mijn identiteit moet verpakken in disclaimers en voetnoten. Uiteraard, zou ik bijna zeggen, maar zo vanzelfsprekelijk is dat niet in 2025…
In de jaren ’90 stond ik aan de deur van een homobar. Niet achter de toog, niet op het podium, maar daar waar de nacht begon: bij de inkom. Ik begroette vaste klanten, hield een oog op de sfeer en weigerde wie daar gewoon het kind kwam uithangen. Soms was het glitter, soms was het drama, vaak was het gewoon menselijkheid in zijn meest flamboyante vorm. Toen was het gewoon LGBT. Vier letters. En niemand die daar graten in zag. De doelgroep zelf ook niet. Er was geen Q, geen I, geen plus. Niet omdat ze niet bestonden, maar omdat de taal nog niet zover was. En toch was er ruimte. Ruimte voor liefde, voor verdriet, voor identiteit zonder handleiding. Soms denk ik: hoe meer letters we toevoegen, hoe minder we durven dansen.
Ik wil mezelf kunnen benoemen zonder dat het voelt alsof ik een disclaimer moet toevoegen. “Ik ben blank, maar niet racistisch.” “Ik ben man, maar niet toxisch.” “Ik ben hetero, maar wel woke hoor.” Nee. Ik ben gewoon wie ik ben. En dat mag. Dat moet ook kunnen in een inclusieve maatschappij, in het vrije Vlaanderen dat we pretenderen te zijn.
Authenticiteit is geen privilege van minderheden. Als taal een huis is waarin we mogen wonen, dan wil ik ook een kamer. Geen suite. Geen penthouse. Gewoon een kamer met uitzicht op wederzijds respect.
Ik weet dat “blank” een ongemakkelijk woord is. Dat het geassocieerd wordt met privilege, met uitsluiting, met een geschiedenis die niet altijd fraai is. Maar ik gebruik het niet om me boven anderen te plaatsen. Ik gebruik het omdat het klopt. Mijn huid is licht. Mijn afkomst is Europees. Dat is geen verdienste, dat is een gegeven.
Hetzelfde geldt voor “hetero.” Ik val op vrouwen. Dat is geen ideologie, dat is een voorkeur. En “man” — ik ben geboren als jongen, opgegroeid als man, en voel me comfortabel in die rol. Ik heb mezelf nooit “cisman” genoemd, ook al is dat tegenwoordig de gangbare term. Wie het woord cisman gebruikt is ofwel een wetenschappelijke paper aan het schrijven, of duwt de anderen graag in die oncomfortabele hokjes waar ik me het liefst heel ver van houd. Ik ben een man. Punt. En een biologische man, zoals de meesten onder ons dat verstaan, heet tegenwoordig een AMAB, kwestie dat u op de hoogte bent. Dat staat voor “assigned male at birth” en dat betekent dat u tenminste op het moment dat u geboren was een fluit had, om niet in gore details te vervallen. Jawel, ook daar is een woord voor, voor het geval de term “biologische man” u of uw toehoorder zou afschrikken. Ik ben een cis-AMAB van middelbare leeftijd. I kid you not!
“Middelbare leeftijd” is misschien het minst beladen van de vier, maar ook dat woord draagt zijn eigen clichés: grijze haren, leesbril, Spotify-playlists met Golden Earring, Prince en AC/DC Soit. Ik draag ze met liefde. En ja, ik heb een leesbril. En ja, ik heb hem al eens laten liggen op een boek over het donkere verleden van de Vlaamse beweging.
Wat ik vraag is geen applaus. Geen bevestiging. Geen high five van de progressieve goegemeente. Wat ik vraag is ruimte. Dezelfde ruimte die ik anderen gun. De vrijheid om te zeggen wie ik ben zonder dat het meteen een politiek statement wordt. Zonder dat ik me moet verantwoorden voor de daden van anderen die toevallig ook blank, hetero, man en van middelbare leeftijd zijn. Zonder scheef bekeken te worden omdat ik niet de terminologie gebruik die past in het wereldbeeld van hij/zij/die die mij aanhoort.
Identiteit is geen wedstrijd. Het is geen rangorde van wie het meest onderdrukt is, of wie het meest mag spreken. Het is een landschap van stemmen, van verhalen, van nuances. En mijn stem hoort daar ook bij.
Breek vrij uit de vele hokjes die men u wil aanmeten en identificeer uzelf in uw eigen bewoordingen zoals ik dat hier doe:
Ik ben Johan.
Ik ben blank.
Ik ben hetero.
Ik ben een man
Ik ben van middelbare leeftijd.
En ik ben niet beschaamd.

