Bijna wekelijks komt mijn neef bij mij eten. Een zeer gemakkelijk persoon om voor te koken, want hij eet bijna alles. De uitzonderingen zijn bloemkool en dieren die in het water zwemmen… want als ze erop zwemmen én ook vliegen, eet hij ze wél. Dus: geen vis, maar wel eend.
Als ik eens geen zin heb om te koken, mag ik gerust iets halen bij de traiteur of iets kant-en-klaar met een stuk vlees. Ja, een stuk, want hij is een echte carnivoor.
Mijn tante zegt altijd: “Als je hem wil zien, moet je hem te eten geven.”
Dat klinkt een beetje cru, maar ze heeft gelijk. Hij werkt tot zeven uur, en tegen dat hij thuiskomt en nog iets moet klaarmaken, is de avond voorbij. Dus komt hij rechtstreeks naar mij.
Ik kook graag, en het mag al eens wat ingewikkeld zijn. Ik heb er geen enkel probleem mee om een recept tot op de letter te volgen. Soms is het iets wat ik in een tijdschrift zie staan, soms een gerecht uit een van mijn vele kookboeken. En af en toe is het gewoon iets dat ik eens wil leren maken. Ooit kreeg ik voor kerst een pastamachine. Na een drietal mislukte pogingen belandde die op de bovenste plank van de kast. Waren mijn eieren te koud? Te veel water? Niet de juiste bloem? Geen idee – maar een vierde poging bleef uit.
Tot tijdens corona. Toen had ik ineens massa’s tijd, en heb ik pasta gemaakt. Tagliatelle, witte én groene. Ravioli gevuld met vlees, en ook met spinazie en kaas. Pappardelle, rigatoni, orecchiette, tortellini, cannelloni en lasagne. Met de bijpassende saus natuurlijk, zoals het hoort, zoals de Italianen het doen.
Sinds ik ben verhuisd en nu een koer heb met meer plaats voor potten, kon ik eindelijk mijn grotere kruidentuin aanleggen. In het voorjaar plantte ik de klassiekers: rozemarijn, tijm en peterselie. Maar telkens ik naar de markt ging, kwam er wel een nieuw plantje bij.
Tante vroeg dan: “Wat ga je daarmee doen?” Geen idee, zei ik dan, ik vind wel een recept.
En dat deed ik. Toen de kruiden mooi begonnen te groeien, at Peter kip met dragonsaus, kalfslapjes met salie, curry met koriander en pasta met een overvloed aan basilicum. Tot op een dag alles flink gesnoeid was en ik niet meer wist wat te maken.
Dus stuurde ik hem een bericht: Noem eens een kruid. Of een land. Ik wil een challenge. “Canada”, was zijn antwoord.
Ik dacht meteen aan zalm, esdoornsiroop en bizons. Na wat opzoekingswerk bleek de Canadese keuken verrassend eenvoudig en gezond te zijn: veel gegrild vlees en vis, frisse salades, marinades met esdoornsiroop, gepofte aardappelen met een sausje van look en yoghurt, en maïskolven met boter.
Het nationale gerecht is poutine: frietjes met kaaswrongel en jus. Eigenlijk een variant van onze frieten met stoofvleessaus.
Ik wilde het natuurlijk goed doen, dus ging ik op zoek naar een passend Canadees biertje en een typisch hapje erbij. Blijkbaar zijn Canadezen dol op chips, liefst met ketchupsmaak. Die vond ik hier gelukkig van een bekend merk. Het bier daarentegen… dat bleek alleen online te koop.
Het was zo leuk, dat ik nu elke week mijn challenge krijg. Het uitzoeken van de recepten, het verzamelen van de ingrediënten en natuurlijk het koken zelf. Ik geniet er van begin tot eind van. De tafel streekgebonden dekken en er een vlaggetje van het land bij zetten maakt het helemaal af.
Langzaam maar zeker geven alle landen hun geheimen prijs.
Een wereldreis van smaken: naar Nepal met Dal Bhat, Tarkari en Momo. Via Roemenië met Ciorbă de fasole en Tochitură, naar Mexico met fajitas, enchilada’s, guacamole en quesadilla’s, en een Corona om alles door te spoelen.
We maakten een kleine omweg langs Maleisië, waar ze hokkiennoedels, nasi kuning, sate ayam en atjar tjampoer serveren. En deze week? De challenge is Georgië, met gerechten als Ojakhuri, Chanakhi en Mchadi op tafel.
Elke week een nieuw land, een nieuw gerecht, een nieuw verhaal. Wie had gedacht dat een simpel etentje met mijn neef zou uitgroeien tot een culinaire wereldreis. En dit zonder ooit mijn keuken te verlaten?

