Terwijl ik dit zit te schrijven, eenzaam en alleen in mijn zetel, bedenk ik: ”Ik zou toch eens moeten kijken voor wat gezelschap, een poesje bijv., dat brengt wat leven in de brouwerij”. Nee, echt! Ik heb 5 katten en toch zit ik hier alleen: nergens is er een beest te bespeuren. Vijf katten, elk met hun eigen routine, hun eigen slaapplekje en hun eigen speeltijd. Alle 5 hebben ze ook hun eigen karakter en gewoontes.
Ik hou van katten en ben wat ze ”een kattenmens” noemen. Ik apprecieer hun eigenzinnig karakter en hun onafhankelijkheid. Geef ze op tijd hun eten en een propere kattenbak, en ze zijn tevreden! Ze hebben hun eigen ritme en routine, d.w.z.: het is niet omdat mama vandaag niet moet werken dat wij ons moeten aanpassen!
5 katten? Dan is je huis toch een ravage? Wel nee, ze zijn welgemanierd en goed opgevoed. Ja, Echt waar! Ze gooien niet zomaar iets van de kast om het te zien vallen en bijten niet aan kabels. Ze krabben niet aan het behang of klauwen niet aan de deuren. Ze openen wel altijd de kastdeuren in de living, om in de kast te neuzen of om er een dutje te gaan doen. Ze hebben krabpalen en krabplankjes voor hun nageltjes maar hebben wel een voorkeur voor mijn rieten stoelen. Die hebben wél te lijden onder hun nageltjes, maar dat wist ik al toen ik ze kocht: riet en poezennagels, dat is om problemen vragen! En mijn zetel, die kreeg ondertussen ook al veel kattenliefde… Niet bewust: “daar gaan we nu eens lekker aan klauwen”, maar eerder: “oh, dat is leuk om onder te kruipen en me vooruit te trekken langs de boord”. Ze maakten ook een gat in de onderkant, in de voering van de zetel, daar kan je lekker inkruipen om “slaapjes te doen” of te spelen.
Je kan ze dan voelen rondkruipen als je in de zetel zit. Nu liggen er dekentjes op als camouflage en die zetel kan ik altijd vervangen. Toch? Deze was niet te duur in aankoop en ik heb hem nu 6 jaar, hoog tijd dus voor een ander kleurtje!
Mijn beschaafde schatjes kruipen ook niet op tafel om te bedelen voor eten. Enkel als het voedertijd is, dan zet ik hun potjes met hun eigen plateau op tafel. Als ik dan eens gasten heb om te eten, dek ik de tafel met een tafelkleedje. Louis eet op de grond, op zijn eigen plateau, op zijn eigen vaste plekje, de anderen hebben de gewoonte om eens te proeven uit een ander potje, want “stel dat zus of broer iets anders eet, dat moeten we toch checken” en Louis kan dat niet verdragen. De uitzondering op dat gaan bedelen op de tafel was Tuur en dit enkel als er stoofvlees op tafel kwam. Hij was zot van uiensaus!
Bij mijn onafscheidelijk koppeltje, Marcel en Truusje, was het ”liefde op het eerste gezicht”! Ja, echt waar, al vanaf de eerste seconde dat ze elkaar zagen. Een vriend had toen een 3 jarige kater in huis genomen, die hij Felix noemde. Volgens de reclame is Felix een zwart-witte kater en deze was een grijs-witte tijger. Die naam veranderde ik later in Marcel. Felix kwam logeren want baasje moest een paar dagen weg voor het werk. “Kan je hem eten komen geven,” vroeg hij. “Veel te moeilijk om tot daar te komen en daarbij: dat beestje zit daar dan heel de dag alleen. Breng hem gewoon naar hier!” Dus hij kwam Felix brengen, Truusje kwam kijken naar de gast… ze liepen naar elkaar… neusjes tegen elkaar …en werden verliefd. Ja! Echt waar. Geen geblaas, geen gegrom, direct samen eten, spelen en slapen. Een paar dagen later kwam Baasje Felix weer ophalen… een paar uur later kreeg ik een telefoontje. “Zeg! Wat heb jij met mijn kat gedaan? Hij is kapot. Hij wil niet eten of spelen, zit hier op de vensterbank naar buiten te staren!” Ik had hetzelfde al opgemerkt, Truusje miste hem. Hij kwam nog een paar keer logeren met elke keer hetzelfde resultaat… Na de derde logeerpartij blééf Felix: die twee mochten we niet meer scheiden!
Truusje, mijn katje, een grijs-wit meisje, een beetje aan de zware kant, maar een klein, lief, aanhankelijk knuffelding. Truusje kocht ik op de markt op Sinterklaasdag 1992. Toen mocht je nog levende dieren op de markt verkopen. Het was een klein, vuil bolletje ellende. In die kooi zat ook een grote poes die zich warmde aan het straalkacheltje dat de venter ernaast had gezet. Dit kleine meisje lag verkleumd in een hoekje, ver van het kacheltje. Ze keek mij aan met heldere oogjes en mijn hart smolt. 50 oude Belgische frank en ik kreeg haar mee in een immense kartonnen doos. Op de bus kon je mijn aankoop ruiken, die grote kat had diarree en mijn meisje was ermee besmeurd, ik moet je niet zeggen dat die kaka en de warmte op de bus, geen
goede combinatie waren… Mensen keken neus-snuivend rond en bekeken de zolen van hun schoenen, ik ook natuurlijk… ik wilde niet de schuldige lijken. Thuis kreeg ze een bad met lekker ruikende shampoo en legde ik haar tussen de poten van de kat die ik toen had, om te drogen. Die keek heel raar op toen hij na een dutje opstond en er een katje van tussen z’n poten rolde. Die kater, Turbo, ging later mee met mijn ex en Truusje bleef bij mij. Over die romance van Marcel en Truusje kan ik een boek schrijven, maar dat ga ik niet doen.
Die waren dus jaren samen, onder hun tweetjes. Maar Truusje begon oud te worden, een oud dametje. Een beetje te dik, hartklachten en ze moest ook vocht afdrijvende pilletjes nemen… Ik moest beginnen uitkijken voor gezelschap voor Marcel, want die kon toch niet alleen achterblijven, toch?
In die tijd werkte ik in de Carrefour en een collega had een nestje. Er was nog eentje over: een pluizig, halflang, rostje… Een paar weken later kwam Louis in huis en werd op slag dikke vriendjes met Marcel, opa en z’n kleinzoon… echt waar. Ja: opa, want Marcel was dan toch al 18jaar… Hij hield zich met de kleine bezig, hij voedde hem op en leerde wat wel en niet mocht. Ze speelden ook veel samen tot Marcel moe werd en de kleine een tikje gaf, wat wilde zeggen: “laat opa nu met rust, ik moet een dutje doen”. Dat dutje deed hij dan samen met Truusje, waar de rosse pluizenbol zich dan ook tussen nestelde. Truusje werd ouder en zieker. Haar hartje kon het niet meer aan en ze was kortademig. De pilletjes hielpen niet meer en door het teveel aan vocht in haar lijfje, vocht dat op haar maag drukte, kon ze bijna niet meer eten. Door die vochtophoping had ze opgezwollen pootjes en kon bijna niet meer stappen. Ze was zo moe, ik kon niets meer voor mijn meisje doen, ik moest haar laten inslapen.
Truusje werd 18 jaar.
Marcel was er kapot van. Zijn vriendinnetje, zo plots uit zijn leven weggerukt, dat kon hij niet aan. Hij was depressief, al wat hij nog deed was slapen, voor zich uitstaren en eten, en dit laatste enkel, omdat het moest om niet dood te gaan. Hij had geen aandacht meer voor Louis, die mocht wel nog bij hem slapen, maar samen spelen, dat deed hij niet meer. Louis, een beestje van een paar maanden oud, liep verloren en had dus een vriendje nodig…
Op het werk hoorde ik dat “die van de droge voeding” een nestje had van 5 weken en ze konden binnenkort het nest verlaten. Dus 2 weken later adopteerde ik Tuur. Een zwart bolletje kitten, die direct van zich afbeet en toonde wie de baas was. Arthur… Louis had zijn speelkameraad, hij was niet meer alleen. Zes maanden had Marcel nodig om over het verlies van Truus te geraken. Op een dag na zijn middagdutje, stond hij op en bekeek Tuur alsof hij hem nog nooit gezien had, liep naar hem toe en begon te spelen. Ik heb Marceltje 18 jaar bij me gehad. Hij was 21 toen hij stierf. Op een dag vond ik hem op het tapijtje naast mijn bed. Een beroerte, vertelde de dokter. Zijn lichtje was gedoofd. Ik kreeg de keuze: hem laten inslapen of terug mee naar huis nemen en afwachten tot hij zou stoppen met ademen. Dit laatste doe je toch niet, zo barbaars. Hij zou nooit meer wakker worden, dus was mijn hartbrekende beslissing vlug gemaakt. Marceltje zou eindelijk zijn Truusje terug zien, in de poezenhemel.
Mijn tuintje, een gezellig tuintje met wat planten en klimstruiken langs de muur, een stadstuintje, had aan de zijkant hoge muren maar aan de achterkant was die muur niet hoger dan 1.5 meter. Tegen dat muurtje was aan de kant van de buren een schuurtje gebouwd, dat een stukje boven mijn muur uitstak. Van aan mijn kant konden de poezen gemakkelijk op dat dak. Omdat ze uit het huizenblok niet weg konden, alle tuinen en garages grensden aan elkaar, nergens een poort of uitgang naar straat, mochten de twee schavuiten op ontdekking gaan. Niet dat ze ver gingen, ik kon ze meestal zien liggen in de zon, op het dak van een of ander schuurtje, en tegen etenstijd waren ze meestal wel terug. Ze klommen langs de klimplanten van de achtermuur naar boven en om terug te komen, sprongen ze gewoon op de grond.
Op een dag kwam Louis niet naar huis… waar was hij?… Ik deed flyers in de brievenbussen en hing briefjes op in de buurtwinkels. Ik vroeg de buren of ze hem niet hadden gezien en elke avond ging ik zoeken in de omgeving. Hij kon niet echt weg uit het huizenblok, maar je weet maar nooit. Op een avond, ik stond te roepen op mijn koer, hoorde ik iets: een stil miauwtje, hij bleef antwoorden op mijn geroep en ik hoorde aan hout krabben. Hij zat dus in dat schuurtje dat aan mijn muur grensde… Ik kon hem niet zien maar wel horen. Ik wist niet van welk huis die tuin was…, kon geen hulp gaan vragen, dus ik brak met een koevoet een stukje plank uit. Daar zat hij dan, mijn kleine avonturier… Bijna 2 weken was hij weggeweest, maar dit zou hij ”me niet nog eens lappen”. Ik maakte een dak op mijn tuin, het werd een soort kooi, ze zouden nog buiten kunnen maar niet meer op avontuur gaan. Ik spande kabels en bevestigde daar kippengaas aan. Het stuk tegen mijn achtergevel was open, maar die was bijna 3 meter hoog en voor zover ik weet, kunnen katten niet vliegen. Rondom was het dak ook vastgemaakt aan de muur, ze zaten veilig. Dacht ik… Ik kwam thuis van het werk en Louis zat op de muur, op z’n gemak, genietend van de zon. Dat kan toch niet? Ik verzekerde me ervan dat er geen opening was langs het kippengazen dak en de muur, het gat moet niet groot zijn want als hun snoet erdoor kan, kan het lijf er ook door. Een kat is bijna vloeibaar, wist je dat? Geen opening, dus hoe geraakte hij weg? Als ik in de buurt was bleef hij braafjes in de tuin maar op een dag wist hij niet dat ik al thuis was en zag ik mijn kleine acrobaat ontsnappen. Hij klom dus langs de achterste muur naar boven en haakte met z’n klauwtjes in de gaten van het kippengaas. Ondersteboven hangend, stapte hij naar de rand. Een hele prestatie want die tuin was zeker 4 meter diep. Aan de rand gekomen zwierde hij z’n kont over de boord en wandelde hij parmantig terug naar een lager deel van de muur, om vandaar op de hogere muren te springen. Mijn kleine Houdini, op zich een prestatie om fier op te zijn, maar dat was niet de bedoeling van dat dak. Ik maakte de rand aan de open kant nog wat hoger, met een stuk rechtopstaande gaas, wat echter niet hielp. Hij had gevonden hoe het moest, ik kon hem niet meer binnen houden.
Omdat ik bang was dat hij zou blijven haken aan z’n teentjes en zich zou kwetsen of vallen, deed ik dat dak gedeeltelijk weg… Louis kon veiliger ontsnappen en als ik Tuur zo kon binnenhouden moest ik me maar over 1 kat zorgen maken. Tuur werd groter en ook hij vond hoe hij het kippengazen obstakel kon omzeilen en meegaan met broer. Dan heb ik maar alles afgebroken, het had toch geen nut meer…
Een vriendin van mij vroeg of ik van een nestje wist, ze had niet lang ervoor een poesje verloren en wilde die leegte opvullen. Ik deed navraag in de Carrefour, tja: al mijn katten komen van de Carrefour… Een collega had een nestje, ik gaf haar de gegevens van mijn vriendin, ze moesten het maar zelf regelen. Ze koos een grijs-tijger-meisje met een wit kopje en witte buik. Eén week later stond de vriendin wenend, aan mijn deur. “Ik kan het niet, ik voel me slecht, ik mocht haar niet zo vlug vervangen hebben…” Ze duwde een zak in mijn handen met een klein poesje erin. “Ga je goed voor haar zorgen?” Euhm.. ja, zeker? Ze stapte terug in haar auto en reed weg.
Daar stond ik dan, met Mieke in mijn handen. Louis, mijn oudste, vond die nieuwe aanwinst direct oké, maar Tuur vond dat maar een vervelend iets. Dat kleine ding wilde op hem klimmen, in hem bijten, met hem spelen, en… uit zijn pot eten! Dat laatste kon zeker niet. Hij gromde en blies naar haar, waar ze zich eigenlijk niet te veel van aantrok. Ze keek hem met grootte blauwe ogen aan, zo van: “Oh, wat ben jij groot… zo groot wil ik ook worden!” Dus telkens Tuur gromde of Mieke een tikje gaf, zat ze met grote ogen naar hem te kijken. Dan zuchtte hij en trok z’n schouders op, (zo zie ik het in mijn hoofd) en ging weg…
Omdat mijn 2 grote maar 6 maanden scheelden en samen opgroeiden vormde ze een kliekje, en Mieke, zoveel jonger, was een beetje ”alleen”. Toen ze kitten was leek dit geen probleem maar toen ze, laat ons zeggen, een “tiener” werd, merkte ik dat ze een eigen speelkameraadje miste, een leeftijdsgenootje… En ja, alles voor mijn poezen, dus ik belde terug naar C., die woont op een boerderij, haar man kweekt paarden, geiten en een paar lama’s. Er lopen daar veel katten rond. Sommige komen in huis en sommige wonen in de schuur. En ja.. ze had een nestje en de mama was het zusje van Mieke’s mama maar het was een andere papa. “Het is goed, wanneer mag ik erom komen?” Drie weken later mocht ik om Tommeke, een grijs tijgertje.
Tuur, dacht, “het is niet waar he?” Diepe zucht… Louis vond het goed, die doet nooit moeilijk, en Mieke was in de wolken…
Je kan nu denken dat met 4 katten in huis de oudste de baas is, of op z’n minst de grootste kater… Niet hier in huis! Hier is het kleinste meisje de baas! Nu nog steeds, zelfs met de tweeling erbij. Mieke is onverdraagzaam, een echt kreng, bij momenten, maar ook ó zo lief. Ze kan soms zo lelijk doen en heftig blazen, gewoon omdat er een kat te dicht in haar buurt komt, en Tommeke is daar meestal de dupe van, haar bloedeigen neefje notabene. Tom is een rustig katertje, een beetje mensenschuw, dat zijn ze eigenlijk allemaal, maar Tom vlucht weg en komt pas uit als hij echt zeker is dat de dreiging voorbij is. Mijn tante, die als ik op reis ben ”van poezenwacht” is heeft Tom nog nooit gezien. Een grijze, in de schaduw voorbij vliegende schicht, dat wel. Ik heb foto’s om te bewijzen dat hij echt is en geen hersenschim. Omdat hij ook zou kunnen eten en niet alleen de restjes uitlikken, doet ze eerst de kattenbakken en wat nog moet gedaan worden, zet de potjes eten op tafel en gaat direct naar buiten… Ik mag Tommeke ook niet te bruusk benaderen, gewoon in het voorbijgaan eens vlug een aaitje geven. Neen, dat kan niet, dan spurt hij weg. Om goeiendag te zeggen steek ik mijn wijsvinger uit en als teken van hallo duwt hij dan z’n neusje tegen mijn vinger. Als hij wil knuffelen, maar alleen als hij daar echt zelf zin in geeft, komt hij spinnend afgelopen… Ik hoor z’n motortje dan al van ver ronken. Hij komt dan naast me zitten op de grond, starend in mijn gezicht, en dan mag ik hem strelen.
Ooit woonde ik in De Haan, of eigenlijk in de Vosseslag aan de grens met Bredene, in een huisje met een grote tuin die grensde aan weilanden, met veel buitenruimte voor mijn poezenbeesten. In die tuin stonden veel bomen en Mieke, mijn eigenzinnige,12 jaar oude, koppige meisje deed niets liever dan in de hoge bomen klimmen. Omdat ze allemaal buiten mochten was het maar normaal dat ze gesteriliseerd zijn, dus Mieke was aan de beurt. Die morgen deed ik haar naar de dierenarts en ’s avonds mocht ik haar ophalen. Voor ik vertrok had ik haar bedje bij de kachel gezet met een dekentje, een potje water en een kattenbak in de buurt. Van een kattinnetje is die operatie ingrijpender dan van een katertje, dus met alles in de buurt van haar mandje, kon ze lekker uitrusten. Toen ik het reismandje opende, spurtte ze naar buiten en klom in een boom. Wat voelde ik me belachelijk… ik heb dan alles maar terug op z’n plaats gezet.
Spelen met Tommeke,…ja! Maar bij hem slapen: dat mocht niet. Tuur had niet graag dat er andere poezen bij hem sliepen, dat privilege was enkel voor Louis. Gebeurde dat wel, dan stond Tuur rustig recht en ging gewoon ergens anders liggen. Maar op avontuur gaan met de kleine Tom, dat deed hij wel. Regelmatig vond ik wel een dode muis of een halve vogel in huis, een cadeau voor ”de mama”, maar deze keer hadden ze zichzelf overtroffen. Ik kwam thuis en deed de voordeur open, door de tocht die ik creëerde, stoof een zwarte-veren-wolk op. Overal zwarte pluimen met in het midden 2 glunderende katten. Echt waar, zoals die in Alice in Wonderland. Een grijns van oor tot oor en glinsterende oogjes, daar kan je toch niet kwaad op worden. Tussen al die pluimen lagen stukken vogel, ik denk een merel of een kraai, het was groot en zwart. Ze hadden dat beest verscheurd, ik kon echt niet meer zien wat het was. Het halletje waar de voordeur in uitkwam, was ook de doorgang naar de keuken, living en slaapkamer en ja die deuren stonden open, voor de poezekes. Door de tocht en het spelen waren de veren overal binnen gewaaid en pluimen kan je niet zomaar effekes op stofzuigen. Weken later vond ik er nog.
Mijn grote rosse pluizenbol… Louis, nu 15 jaar. Een rustige, lieve kater, die in een halve leeuw verandert als ik hem wil kammen. Hij is een halflang harige, met een vachtje dat zeer gemakkelijk klit. Ik probeer hem regelmatig te kammen maar dat is niet zo simpel zonder hulp, want met één hand moet ik hem vasthouden en met de andere kammen. Ik heb een tondeuse gekocht, zo’n stille, speciaal voor huisdieren, omdat klitten uitkammen pijnlijk is en ik ze op deze manier met de tondeuse kan uitsnijden. Dus om het goed te doen, gaat hij regelmatig naar de kapper. Louis is een beetje bang van de dierenarts en dan ligt hij stokstijf op de behandeltafel. Ik hou hem vast terwijl de dierenarts zijn vachtje uitkamt en klitten wegknipt en terwijl hij daar dan toch is, trakteer ik hem op een manicure. Louis, mijn pluizenbal, is een grote jongen van een goeie 7 kg, uitgerust met een dikke pluimstaart, en gaat graag op inspectie in de vitrinekast. Die kast staat propvol met mijn koeienverzameling: gebruiksvoorwerpen, beeldjes en andere kleine keramieken snuisterijen. Hij opent dan de deur en stapt dan voorzichtig, z’n pootjes uitgemeten neerzettend tussen al dat breekbaars en komt langs de laatste deur weer naar buiten. En dit zonder ooit iets om te smijten. Daar neemt hij wel z’n tijd voor en besnuffelt hier en daar iets en neemt ondertussen het stof af met z’n staart.
Mijn leeuwtje ging in de Vosseslag, ook wel eens op wandel. Hij had de gewoonte om langs achter naar buiten te glippen, over de poort te springen en aan de voorkant op avontuur te gaan. Dat was redelijk veilig, mijn straat was een kalme straat met niet te veel verkeer. Op een dag zie ik hem huppelend naar huis komen. Zijn rechter achterpootje ging er maar slapjes bij. Hij had zijn pootje gebroken en moest geopereerd worden. Die fijne botjes werden gestabiliseerd en hij kreeg een gips voor 8 weken. Hij mocht er wel op lopen maar mocht zeker niet springen. Wat nu? Ik kon hem nergens opsluiten, zelfs niet in de badkamer want daar was ook een vensterbank waar hij op of af kon springen. Ik had toen een collega die een Duitse herder had en zij had een bench, 2 zelfs. Een kooi en een bench die bijna volledig toe was voor in de auto. Ik kon de deurgaten van de kooien aan elkaar vastmaken zodat ze een grote ruimte werden. Kattenbakje en eten in die kooi en slapen in die gesloten bench. Via nog een ander deurtje in die kooi waardoor ik z’n potje met eten kon binnenzetten, kon hij dan naar binnen of buiten. Als ik thuis was mocht hij natuurlijk uit zijn gevangenis komen. Dat opsluiten vond ik erg, maar hij was veilig als ik er niet was en vooral, het was maar tijdelijk. Als ik ging werken of ging slapen, moest hij terug in z’n kooi. Ik deed dan het deurtje open zei ’’kom ventje, slapekes doen’’ en hij ging braaf naar binnen. Wat hij ook deed, flinke Louis.
Als ik nog een kitten wil, moet ik het nu doen, bedacht ik, zodat ze allemaal dood zijn tegen dat ik ooit naar het rusthuis moet. Want als ze allemaal zolang leven als Marcel, moet er misschien iemand anders voor hen zorgen. En dat wil ik mijn familie niet aandoen. 4 jaar geleden belde ik naar die oud-collega waar Mieke en Tommeke geboren waren of ze niet een nestje had. Jawel, maar ze zijn nu nog geen week oud. Een nestje 3 kleurtjes maar die met al dat wit ging ze zelf houden.
Regelmatig kreeg ik foto’s van de kleintjes, want dit was tijdens de eerste lockdown en ik mocht niet buiten om te gaan kijken. Omdat het leeftijdsverschil met de jongste 6 jaar is, zou ik er 2 nemen, zo hadden ze tenminste elkaar. In de laatste weken van de lockdown mocht ik ze halen. Mijn tweeling, zo gelijk maar o zo verschillend. Toen ik erom ging, moesten ze nog gevangen worden, ze woonden namelijk in de paardenstallen. Hun mama had een nest gemaakt in het hooi van de paarden. De ene kon ze gemakkelijk pakken want die kwam nieuwsgierig kijken maar de tweede moest ze, onder luid protest, van onder een dekzeil vissen. In het reismandje zat de ene weggedoken achter haar zusje, die geïnteresseerd haar nieuwe wereld zat te begluren door het traliewerk . Thuis, om hen niet direct te confronteren met de andere katten en hun eerst te laten bekomen van de autoreis, zette ik ze in de slaapkamer. Toen ik naar bed ging lagen ze in een mandje, op mijn bed naast me. Ik had mijn bed tegen de muur geschoven zodat ze er niet af konden vallen. Om mijn reuk te leren kennen en hen ook het ”ik-ben-veilig-gevoel” te geven lag mijn hand onder het dekentje.
De kennismaking met de grootte poezen ging vlotjes, zoals ik wel verwachte. Mieke moest natuurlijk duidelijk maken wie de baas was, Tuur bekeek ze eens met een air van “wat is dat’’, en liep weg. De kleintjes keken hem na, met ogen die riepen “O jij bent groot!…” Louis vond ze wel interessant en Tom wilde spelen. Al zeer vlug ‘vonden ze hun draai’, en durfden ze op ontdekking gaan, telkens onder supervisie van ’’een grote kat’ ’natuurlijk.
Trudy is een babbelkont… die komt altijd hele verhalen vertellen en als ze komt tegen me aan knuffelen moet ik buikje wrijven en krijg ik likjes aan mijn vingers als bedankje. ’s Avonds is haar knuffeltijd, in de zetel als ik tv kijk maar ook soms in bed. Ze komt dan van buiten waar ze koud of nat werd en komt ze zich warmen onder mijn donsdeken. Hanna daarentegen is schuchter en komt zelden knuffelen. Ze komt naar mijn kamer als ik mijn kleren aantrek ’s morgens en dan wil ze een beetje spelen op bed. En als ik in de keuken bezig ben springt ze op het aanrecht om wat aandacht te krijgen.
Mijn Tuurke, mijn zwarte panter. Mijn groot knuffelbeest. Een pikzwarte kater, met een klein wit plekje op zijn borst, eentje op z’n buik en één wit teentje. Een uit de kluiten gewassen jongen en zo ontzettend lief. Om te knuffelen kwam hij dan met zijn slordige 9 kilo bovenop me liggen. Hij sliep ook altijd bij me op bed, op het hoofdkussen, dicht tegen mijn hoofd. Toen hij later ziek werd deed hij dat niet meer en dit was het eerste teken dat het ”erg” mis was. ”Mijn zorgenkind”… Hij had regelmatig keelpijn en om dat duidelijk te maken gromde hij naar zijn potje en trapte het door de kamer. De dierenarts gaf hem medicatie en verwijderde zijn tandplak. Hij was namelijk allergisch aan zijn eigen tandplak, die reactie gaf hem een ontstoken keeltje en tandvlees. De medicatie hielp voor een tijdje maar die ontsteking kwam terug, dit herhaalde zich om de paar jaar en het enig dat zou helpen was z’n tandjes trekken. Omdat huiskatten hun eten niet moeten verscheuren of tanden nodig hebben om te jagen, zou hij daar geen last van hebben. Hij was toen 8 jaar. Hij herstelde goed van die operatie en had inderdaad geen problemen om te eten. Toen hij 10 jaar was, zakte hij ineens door zijn achterpoten. Hij kon niet meer op zijn rechter pootje steunen, hij was niet gewond en de poot was niet gebroken… de bloeduitslag gaf een zware ontsteking aan. Weer geprik en gepor, een spuit in zijn poep en medicatie voor thuis. Maar ook ditmaal kwam het goed. Je zou denken dat het met de jaren gemakkelijker zou worden om medicijnen in de kat te krijgen… niet dus! Wat later werd hij blind op één oog, de traanbuisjes waren verstopt en verhard en daardoor kwam er een vlies over zijn iris. De onderzoeken en behandeling waren in Roeselare omdat daar een oogarts voor dieren zit. De oorzaak van het opdrogen van die buisjes is niet echt duidelijk en soms kunnen druppels en medicatie helpen maar soms ook niet. Meestal loopt het uit op een operatie n.l. het verwijderen van het zieke oog. Na maanden was het nog niet beter, het verslechterde eerder, ik had de indruk dat het oog opgezwollen was en een beetje uitpuilde. Mijn vaste dierenarts, vond dat ook en we gingen ervan uit dat dit opgezwollen oog waarschijnlijk druk gaf in z’n hersentjes en misschien had hij wel koppijn. Het beestje kon het ons niet vertellen. Er kon ook een gezwel achter dat oog zitten maar dat zouden we pas tijdens de operatie weten. Door die diagnose en het feit dat ik twee keer daags met hem moest worstelen om zijn medicatie te geven en hij daarna een paar uur gestrest was en mij ontweek, besloten we tot operatie. Ze hadden bloed getrokken terwijl hij sliep om te onderzoeken op eventuele kankercellen, die waren er niet maar de uitslag gaf aan dat zijn nieren niet echt gezond meer waren. Ik werd gebeld, moeten we hem laten gaan? Of doen we operatie zoals gepland. Dat laatste natuurlijk. Ik was nog niet klaar om hem te laten gaan en Tuur was nog niet uitgevochten. Hij herstelde goed, traagjes aan groeiden alle haartjes terug en hij werd weer de oude. Maar niet voor lang. Hij begon te sukkelen, at minder, vermagerde, was futloos en sliep meer… wat nu weer? De bloeduitslagen waren niet goed en waar de dokter voor vreesde, werd bevestigd. Zijn nieren waren erg ziek. Een mens doet dialyse maar voor poezen bestaat dat niet. Er bestaat ook niet echt medicatie om de nieren te genezen. Hij kreeg lapmiddelen om alle andere kwaaltjes weg te nemen. Ik kreeg poeders om in z’n eten te doen. Eentje om de eetlust op te wekken, een ander om aan te sterken. Druppels voor zijn schildklier en druppels om de aanmaak van bloedcellen te verbeteren, want bloedarmoede had hij ook. Hij kwam weer wat bij en kreeg wat meer energie. Het ging een tijdje goed… tot … het weer slechter ging… en snel. Nieren die hun werk niet meer doen, vergiftigen het lichaam. Ze maken een soort ammoniak die alle andere organen aantast. Mijn stoere, grote, zwarte panter gaf het op. Hij was het vechten moe. Samen met de dierenarts hebben wij nog gevochten in zijn plaats… maar tevergeefs. Tuurke wilde niet meer. Hij stierf begin 2024 en werd maar 14.
Elk hebben ze hun eigen plekje dat ze niet willen delen. Mieke heeft haar kast, een vitrinekast die bijna tot aan het plafond komt. Al van dag één dat die kast in huis stond, klom ze er bovenop, en ging liggen, lekker weggestopt achter die hoge boord rondom. Ze klom er altijd op, door vanaf de boord te springen en zichzelf op te trekken. Om eraf te komen laat ze zich glijden met haar pootjes tegen het glas en springt dan. Die acrobatentoeren doen de anderen haar niet na en dus was dat plekje alleen van haar. Omdat Mieke al een jaartje ouder wordt en wat zwaarder, is van de kast komen moeilijk geworden. Dus om haar te helpen kocht ik een hoge krabpaal, zo één die je tussen plafond en vloer kan vastzetten. Ze kon deze als trap gebruiken, dacht ik…Misschien is ze te dom of begrijpt ze niet wat de bedoeling is, maar ik denk eerder te koppig, dus blijft ze het lekker op de oude manier doen. Maar doordat die paal daar nu staat kunnen de Tweeling en Tom wél naar boven, en dit valt niet altijd in goede aarde voor Hare Majesteit. Sinds kort heb ik plankjes aan de muur naast die paal bevestigd en die paal staat nu ook vastgeschroefd aan de muur… en … Ja…ze gebruikt hem nu als trap, eindelijk…
Hanna en Trudy zitten graag in de tuin. Hanna om te spelen en naar de meeuwen op het dak te kijken en Trudy om plantjes uit te graven en te verpozen bovenop de bloembakken, het liefst op die met viooltjes.
Zij hebben in de living hun eigen tapijt, een rond tapijtje in de hoek van de kamer, een speelmat zoals kinderen dat hebben. Hun speelgoed word daarop verzameld, zodat dat dan weer rondgegooid kan worden. Op dat tapijt staat hun doos. Ja, hun doos, geen enkele andere kat gebruikt die doos. Het is een onbedrukt doosje, zeer belangrijk want bedrukt karton is niet lekker om in te bijten, waar je lekker kan inzitten om dan rondom de boorden in confetti te bijten, voordat je die rond gaat strooien op dat tapijt… Regelmatig moet dat doosje vervangen worden maar dat is geen probleem, mama koopt toch veel online. Vooral hun eten, aan een veel betere prijs voor ”the good stuff” dan in de supermarkt.
Mijn ‘kattepoezen’ zijn stuk voor stuk uniek met hun eigen karaktertje, met hun eigen willetjes en eigenaardigheden, met hun eigen knuffeltijd en knuffelplekjes. Ze zijn ook altijd goedgezind, zeuren niet en hebben geen kritiek op wat ik doe. En vooral, ze zijn altijd blij als ik thuiskom, zelfs al is dat niet rond etenstijd.