Ik heb in mijn leven al veel prachtige dingen gezien, al ontzettend veel lekkere dingen geproefd, maar als swegher een hele lieve snare hebben, ja, daarmee ben ik een héél gelukkig mens!
Of: hoe woorden door de tijd en de streken heen evolueren…
Toen ik een paar weken geleden bij mijn zoon en schoondochter verbleef, keek ik met hen mee naar een programma waar ze elke weekdag naar keken, namelijk “Gort over de grens”.
“Gort”… ik dacht aan het “Hollandse” (in de betekenis van “Nederlandse) woord voor gepelde haver, waarvan gortepap wordt gekookt, maar blijkbaar is “Gort over de grens” geen kookprogramma, maar een programma waarin Ilja Gort, een Nederlandse wijnboer in Frankrijk, de kijker meeneemt naar de mooiste plekken in Italië, Spanje en Frankrijk. Hij laat je kennismaken met de lekkerste wijnen, de heerlijkste kazen, en de gewoontes en zeden van de mensen die er wonen. Als bewonderaar van mooie plekjes, genieter van lekkere wijn en kaas, en altijd nieuwgierig naar de zeden en de gewoonten van mensen met een andere herkomst dan die van mij, was ook ik meteen “verkocht” aan de reeks op Nederland 2!
Ilja Gort is naast al het andere, ook een geboren verteller. Toen de aflevering ging over het historische belang van de zoutwinning uit de zee, vertelde hij dat zout, in bepaalde periodes en op bepaalde plaatsen even duur of zelfs duurder was dan goud. Dit komt doordat zout in de oudheid en middeleeuwen een cruciaal onderdeel was voor het bewaren van het voedsel en natuurlijk ook voor de smaak van de maaltijden, en niet overal gemakkelijk verkrijgbaar was. Het werd zelfs gebruikt als betaalmiddel, en bijvoorbeeld de Romeinen betaalden hun soldaten met zakjes zout, met zakjes “sal…”, vandaar het woord “salaris!”
Net als mijn oudste zoon hou ik van taal, van lezen, schrijven, van spelen met woorden… Sommige woorden geven mij ook een bijzonder gevoel bij het uitspreken… Ik kan niet meteen op een Nederlands woord komen, maar de eerste keer dat ik dat gevoel ervoer, was toen ik in de les Esperanto het woord “bedaurinde” uitsprak wat “spijtig” of “helaas” betekent… Net als zoonlief ben ik dus erg geïnteresseerd in taal, in al haar facetten! En toen ik Ilja Gort over het woord “salaris” bezig hoorde, dacht ik meteen: “Leuk! Waarschijnlijk zijn er veel woorden die een wat eigenaardige oorsprong hebben!” En als ik even niets om handen had, (geloof me, beste lezer, zelfs als gepensioneerde, gebeurt dat regelmatig, maar toch niet elke dag!) zocht ik wat willekeurige woorden en uitdrukkingen op in een online “Etymologisch woordenboek”…
Ik logeerde toen, zoals gezegd, bij mijn zoon en schoondochter… He? “Schoondochter! Zou dat iets te maken hebben met het Vlaamse “schoon”, mooi dus, of het Nederlandse “schoon”, wat wij Vlamingen “proper” noemen? Neen dus… In de 15de eeuw sprak men van een behuwddochter, behuwdvader enz. Behuwd betekende dus wat we nu noemen “aangetrouwd”! In het Frans gebruikte men toen al eeuwen de woorden ‘belle-mère’ en ‘beau-père’ als benaming voor de aangetrouwde ouders (beaux-parents), waarbij beau en belle – naast ‘mooi, knap’ – ook ‘goed, edel’ betekenen. Die laatste betekenis neemt men ook in het Middelnederlandse woord schoon over: een schoonmoeder is dan een ‘aangetrouwde moeder van degelijk, fatsoenlijk allooi’, een ‘geachte en eerbiedwaardige vrouw’. Maar in een tijd dat er nog geen standaard Nederlandse taal bestond, werden er ook niet overal “standaardwoorden” gebruikt! Het was zoal nu nog met dialectische woorden: neem nu een schommel: ik, sinds generaties geworteld in het West Vlaamse Oostende, spreek over een “toeter”, terwijl mijn man die zijn wortels had in Oostende, maar nog meer in het Oost Vlaamse Gent en het Vlaams Brabandse Londerzeel, het woord “biezeboeze” gebruikt…
Om terug te gaan naar de schoonfamilie waarover ik het hierboven had… Zo kwam ik voor schoonvader bijvoorbeeld het woord sweer tegen, en swegher voor schoonmoeder! De snare was dan weer de schoondochter, de swagher was een aangetrouwd familielid als schoonbroer of schoonzoon, net als swaselinc, swaghelinc; schoonbroer of schoonzoon. De meeste van deze woorden zijn in de standaardtaal vervangen door samenstelling met schoon-. Uitzonderingen zijn o.a. het in Nederland veelal gebruikte zwager (die wij Vlamingen meestal ‘schoonbroer’ noemen.) en zwageres ‘schoonzus’. *
Toen ik mijn nichtje/medeblogster vertelde over alles wat ik hierboven beschreef, vertelde zij me dat ze onlangs ergens gelezen had van waar de uitdrukking “ergens rondhangen” vandaan komt. Blijkbaar is het van alle tijden dat mannen, nu mag je gerust zeggen “mensen” , zich gaan bezatten in de kroeg. Maar de uitdrukking komt van lang geleden… Vaak waren de mannen zo zat dat ze niet meer konden lopen of op hun paard kruipen, en geen geld meer hadden voor een kamer. De waard of waardin zorgde er dan voor dat er in de paardenstal touwen waren gespannen waartegen de mannen dan konden leunen of hangen, zodat ze toch niet op de koude grond moesten gaan liggen. Moeder de vrouw die in die tijd niet mee ‘op stap ging’ maar thuis voor de (omvangrijke) kroost zorgde, wist dan: “hij blijft weer ergens rondhangen!”
Misschien was moeder de vrouw er niet eens kwaad om, als de helft van haar trouwboek weer eens aan het rondhangen was, misschien dacht ze: “weer een kans minder dat ik weer zwanger geraak, want “joengers” heb ik al genoeg!” In het Oostendse dialect, dat net als de andere dialecten steeds minder kleurrijk wordt, en steeds minder gesproken wordt, hoor je wel nog spreken over “de joengers”. Vaak denkt men dat dat woord voortkomt van “joengen”, jongen dus, maar als mijn grootmoeder die in het prille begin van de 20ste eeuw geboren werd, het had over haar “joengers”, zei ze er vaak bij dat ze 3 knechtjoengers en één meisjoengn” had, drie jongens en één meisje! Die kreeg ze thuis, enkel met de hulp van haar moeder die “vrievrouwe” was. Mijn overgrootmoeder had geen diploma van vroedvrouw, ze was waarschijnlijk ook maar tot haar Plechtige Communie naar school geweest zoals dat toen gebruikelijk was, maar ze had de stiel van vroedvrouw al doende geleerd. Als je dan weet dat “moetje”, mijn grootmoeder dus, thuis, zonder dokter, “serieuze stukken vlees op de wereld zette”, zoals ze soms zei als ze het had over haar kinderen van rond de 6 kg, begrijp je ook dat men in het dialect het begrip “in twèèn vollen”, “in twee vallen” gebruikte. Dat hoorde ik niet van Moetje, maar van een vissersvrouw, die “kaais”, een specifieke variant sprak van ‘aan de kaai’, van de visserij dus… Ik las dat er in de diverse dialecten nog heel veel van die plastische uitdrukkingen bestaan: een kindje kopen, biggen (!), en zelfs “vliëskakken”….
En zeggen dat deze blog er kwam door een Nederlandse wijnboer in Frankrijk, die vertelde hoe Romeinse soldaten werden betaald…
Bronnen:
*P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
*N. van Wijk (1936 [1912]), Franck’s Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

