Mijn Moetje…

Toen ik in 1954 geboren werd, was mijn grootmoeder, “Moetje”, al meer dan een halve eeuw oud, of zoals mij pa altijd al grappend zei: “een halve oude Belg”… Hoewel ze al meer dan 30 jaar overleden is, heb ik heel veel herinneringen aan haar. Ze woonde in een klein rijhuisje in een wijk die ooit een zelfstandige gemeente was, maar nu gewoon een stadwijk is die je nog net “de stadsrand” kunt noemen. Een huisje zonder badkamer, met een koertje met achteraan een paar bomen, en een buiten-wc. Lange tijd was dat een “plank-met-een-gat-in” met een deksel erop, en een “chasse-bak” met een ketting eraan zodat je dát wat je gedeponeerd had, kon doorspoelen samen met de stukken krantenpapier of telefoonboekenpapier die voor gebruik aan een haak in de muur bevestigd waren. Zoeken moest je die wc niet, want hoe schoon, of “zindelijk” zoals zij het noemde, ze ook was: die wc rook je altijd!

Naast de deur van de wc, was er nog een deur, die je naar de “woning” bracht van Henry, of “Errie” zoals hij werd genoemd. “Errie” was een neef van Moetje, die kind noch kraai had, en een soort “studio avant la lettre” mocht bewonen. Veel was het niet hoor: een klein woonkeukentje met een gasfornuisje, een kastje, een tafeltje, twee stoelen en een zetel, en een doorgang naar een nóg kleiner kamertje waar zijn bed net in paste. Ik herinner me “Errie” maar van één ding: ik kreeg altijd een paar door hemzelf gebakken “karramellen” in de vorm van een balletje dat hij met zijn blote duim plat gedrukt had. De duimafdruk kreeg je er gratis bij…

Als je het huis van Moetje binnenkwam, had je voor je de trap naar de twee kamertjes op de verdieping, en op het gelijkvloers rechts in de gang de eerste deur naar de salon, en daarna de deur naar de eetkamer, van waar je de annexe-keuken bereikte. Als je echter voorbij de eetkamerdeur en de trap liep, had je achteraan, onder de trap, een deur met een trapje naar de kelder, waar er een “garde-manger” stond: een kastje met een deur in vliegengaas, waarin de melk, boter, vlees, groenten… koel bewaard werden… of toch koeler dan boven! Want in de keuken, die je van uit de eetkamer én via de koer kon binnengaan, stond er geen koelkast! Ik herinner me dat de fles melk en soms ook de boter vaak in de blauwstenen gootsteen, in een kom water-van-de-pomp (zo’n handpomp met een zwengel die je op en neer moest bewegen) stond, om fris te houden. Op een dressoir stond de radio met een antennetje erop dat je regelmatig wat moest bijregelen wilde je de nieuwslezer kunnen  begrijpen… Tegen de achterwand stond er een Leuvense stoof… En daar heb ik heel mooie herinneringen aan! In de winter, als het gesneeuwd had, kwamen mijn 10 jaar oudere zuster, mijn vriendje Johan (het zoontje van de conciërge van de kleuterschool , die samen met de meisjesschool waar mijn ma conciërge was en de jongensschool waar nog een andere conciërge woonde, de Stadsschool Hendrik Conscience vormde. Johan en ik zijn even oud en zijn echt samen, haast als broer en zus opgegroeid) en ik met de slee naar Moetje. Daar kregen we elk een paar door Moetje zelf gebreide wollen sokken van nonkel Oscar aan onze verkleumde voeten, die we mochten warmen tegen het onderste van, of soms in de oven van de stoof… Zus kreeg een ‘druppel’, en Johan en ik een flink aangelengde ‘druppel’ om van binnen op te warmen.

Soms vertelde Moetje dan een verhaaltje, net zoals ze deed als ze bij ons kwam thuiswachten, als onze ouders ergens samen naartoe gingen, en Johan en ik samen in het grote bed te slapen werden gelegd… Heel vaak waren het verhalen uit de Bijbel, over Adam en Eva bijvoorbeeld, of over de vrouw van Lot (met een duidelijke waarschuwing om niet zo nieuwsgierig te zijn!), of over de ark van Noah… maar waar we meestal om vroegen was het “vertellingsje van Dumtje”: het verhaal van Duimpje… Een oud verhaaltje dat van generatie op generatie werd doorverteld aan de kinderen, en dat ik ook vertelde aan mijn eigen kinderen en het dochtertje van mijn zus dat bij mijn ouders werd grootgebracht. Ik vind het toch zo jammer dat ik héél het verhaaltje niet meer ken, enkel nog fragmenten, én enkele gezongen zinnen die er ook in voor kwamen! Het ging over een jongetje ter grootte van een duim die zich verstopt had in het gras en door de koe werd opgegeten… Iemand riep toen “Dumtje, wo zie je te?” (waar ben je), en hij antwoordde zingend: “’k zitten hier zo warme, in ’t koeïetje zijn darmen, ’k zitten hier zo wel, in ’t koeïetje zijn vel!” (Een anekdote daarover: toen mijn man en ik eens op reis waren en onze tweejarige zoon bij mijn pa en nichtje logeerden, belden we elke avond even naar huis om te weten of alles OK was met onze spruit. De tweede dag werd Nichtje aan de telefoon geroepen, want zij had een dringende vraag: “Tante, ik vertelde gisteravond van Dumtje, maar het was niet goed: ik zong “’k zitten hier zo warme, in ’t koeïetje zijn darmen, ’k zitten hier zo wel, in ’t koeïetje zijn vel!” niet op de juiste toon, en Johantje is al huilend in slaap gevallen! Hoe zing jij dat???”)

Tot na het trouwen van mijn zus woonden we in de Conscienceschool. Daar woonden we ook toen we onze eerste (zwart-wit) televisie kochten. Elke avond kwamen Moetje en haar vriendin “Leintje” (Helène) naar ons toe om te kijken naar het “gesproken dagblad”. Ze kwamen te voet, arm in arm, en, in de jaszak van Moetje zat, netjes in een grote “mans-zakdoek” gewikkeld, haar puppie.

In de ochtend van 6 december kwam ze ook naar ons toe. Ze mocht elk jaar, heel vroeg in de ochtend, meekomen met Sinterklaas, Zwarte Piet én de ezel. Blijkbaar was de witte schimmel met de naam “Slecht weer vandaag” nog niet geboren in de jaren 50… Maar op een keer had dat beest een massa ezeldrollen in de pas geschuurde gang achtergelaten! Mijn ma was woedend, naar het schijnt, maar Moetje? Die amuseerde zich kostelijk, want dat was het soort humor waar zij van hield!

Moetje was van de oude stempel, en ging  geen stap buiten de deur zonder op zijn minst een “propere schorte” én niet-versleten sloffen aan te trekken! Ook haar hààr moest er goed uitzien. Als ze naar de kapper ging voor een nieuwe permanent, mocht de kapster er niet te veel de krulletjes uitkammen! En zijzelf spoot er regelmatig flink op met de spuitbus… De “spuitbus”??? Hoor ik u denken. Waarom zegt ze niet gewoon “de haarlak”? Het zit zo: Op een keer waren mijn ouders, mijn nichtje en ik bij haar op bezoek. We zaten in de eetplaats, en Moetje vroeg aan Nichtje om de haarlak even te nemen van op de rand van de gootsteen.

“Er staat hier geen haarlak, Moetje!”

“Maar ja: er staat daar zo’n grote gele bus, net naast de pomp!”

“Is dat dan die spuitbus met die grote vlieg op? Zo één als van Pepé om de vliegen dood te doen?” 

En ja: bleek dat Moetje al een hele tijd “van de spuit tegen de vliegen” op haar hoofd spoot! Geen wonder dat zij nooit te klagen had over die rotbeesten…

Moetje zag heel graag kinderen, en hoewel ze een heel klein pensioentje had, kregen alle kinderen die er kwamen wat geld in de handen gestopt. Alleen: Moetje zag, toen ze ouder werd, heel slecht, had zelfs ooit eens een schoenzool uit haar tas gehaald en door het loket aan de bankbediende gegeven om “op haar rekening te storten”… Ze had zich vergist: de cheque zat nog in de tas! Maar om zeker te weten dat het een biljet van 20 frank was dat ze haar achterkleinkind toestak, staken in één portemonnee een serie netjes in vieren gevouwen briefjes van 20 frank. Die portemonnee kreeg net als de portemonnee met briefjes van 50, en die met briefjes van 100 frank, een naam! Hoe die anderen heetten weet ik niet meer, wel dat Médard, gevuld met biljetten van 20 frank, in de linker lade in het kastje links van de Leuvense stoof zat. Elk (achter)kleinkind wist wat Medard was én waar die zat, en ze moest nooit tweemaal zeggen “pakt e ki Medard ut ’t schof!”

               Moetjes gezondheid was niet zo goed, ze is ook een paar maal geopereerd, onder andere 2x omdat ze een nieuwe heup kreeg. Daar is trouwens ook een anekdote over, die ik u zeker niet wil onthouden: Moetje werd door de huisarts doorgestuurd naar de orthopedist en werd vergezeld door mijn ma. En ja, als er vermoedelijk een nieuwe heup moet komen, moet de dokter je eerst onderzoeken, dat is toch nog zo? Maar ik denk niet dat je nu naar de orthopedist gaat gekleed in je onderbroek (en die onderbroeken van Moetje kon je met de beste wil van de wereld geen “slipje” noemen hoor. Hoewel ze toen al geen “snelzeikers” meer droeg (voor wie het woord niet kent: zoek het dan even op want ik kan die niet beschrijven zonder het schaamrood op de wangen te krijgen…), waren het toch serieuze dingen, die onderbroeken! Waarom weet ik niet, maar mijn zus en ik noemden die altijd “vaderlanders”…

Dus: ze droeg onder haar mantel een onderbroek, een grote BH met maagband, een wollen onderlijf dat tot over haar knieën viel als ze hem niet goed ingestopt had in haar broek, een gewolde onderjurk en bovenop dit alles haar kleed en meestal een wollen vestje, want ze had het vlug koud, mijn Moetje! Maar toen wilde de dokter dat ze zich uitkleedde… zo maar haar kleren uitdeed, voor een vreemde man! Ma heeft toen pa, die in de auto zat te wachten, moeten roepen om haar te overtuigen dat het echt nodig was, dat de dokter haar anders niet zou opereren!

Blijkbaar heeft ze zich uitgekleed, want de nieuwe heup kwam er. En later nog een tweede… Na de operatie kwam ze zoals na elke andere operatie, bij ons thuis herstellen. Dan sliep ze bij mij in bed, maar zij niet alleen: ook Poetje (echt waar!), haar zwart hondje sliep bij ons onder de dekens. Ik kon, en kan nog steeds niet stil liggen, in tegenstelling tot Moetje, dus Poetje was dat gedraai en gewentel niet gewoon, en kreeg meer dan eens een hap van het beestje!

Tja, mijn Moetje… die elk jaar na nieuwjaar de flessen sterke drank uitgoot omdat die toch slecht zouden worden, maar flesjes Stella in haar kelder had staan waarvan je het etiket bijna niet meer kon lezen, en waar er een “fond” inzat van meer dan 1 cm…

Mijn Moetje… die ondanks haar 2 heupprothesen haast niet meer uit de voeten kon, maar toch liefst van al had dat Marcsje, mijn lief, haar naar huis bracht met zijn Mini Cooper, waar je haar haast met een schoenlepel moest in-maneuvreren en met een kurkentrekker weer moest uittrekken…

Mijn Moetje… die zo goed als blind en dementerend was, en op het communiefeest van mijn zoon naast mijn zus zat, die, telkens ze zag dat Moetje die met haar vork rond-prikte in haar bord niets meer vond, er weer iets lekkers in legde, zodat haar oude grootmoeder nog wat verder kon genieten.

Mijn Moetje… die, na dat communiefeest terug in het rust- en verzorgingstehuis was waar haar oudste zoon en schoondochter na de voetbal nog even binnensprongen, en vroegen “Hoe was het op het feest, heb je lekker gegeten?”, alles al weer vergeten was en antwoordde “Gegeten? Niets heb ik gegeten, en ik kreeg nog geen speuge koffie om te drinken!”

Mijn Moetje… die na herstel van een operatie weer naar haar eigen huis ging waar haar kinderen haar verrasten met een nieuwe salon… waarop Moetje hartverscheurend begon te wenen en riep “Mijn poenke! (haar geld, haar bezit…) Mijn poenke! Al mijn geld is weg!” Mijn Moetje… die banken niet vertrouwde en daarom het weinige geld dat ze bezat in een oude krant had gedraaid en dat tussen de elastieken aan de onderkant van haar divan bewaarde… (de divan stond klaar om te worden verbrand, maar de “poenke” kon worden veilig gesteld

Mijn Moetje… die als kind met de hondenkar haar vader zijn middagmaal naar zijn werk in Oostende moest brengen.

Mijn Moetje… die toch zo graag lachte en herinneringen ophaalde, maar die nooit, of zoals zij zou gezegd hebben: “nog in geen honderd jaar” zal hebben gedacht dat één van haar kleindochters, zoveel jaar na haar overlijden, een blog over haar zou schrijven! Moetje, als je ons kan zien van daarboven: bedankt voor alles, maar vooral voor die fijne namiddag die je ons bezorgde toen ik, als voorbereiding van deze blog, samen met mijn nichtje  herinneringen ophaalde… Weet je nog, je eerste achterkleinkind van wie je net na haar geboorte, haar Schotse naam maar niet kon onthouden en die je de eerste weken steevast “Anorakje” noemde!


Juf Else

Juf Else

Else Huisseune is geboren en getogen in Oostende, als dochter van een politieagent en de conciërge van de Hendrik Conscienceschool. Na haar studie als kleuteronderwijzer, zoals dat toen heette, aan de Rijksnormaalschool te Brugge, werkte ze 5 jaar als opvoedster in een tehuis voor gerechtskinderen en deed ze een aantal jaar interims in diverse scholen langsheen de kust. Tot ze weer stond waar ze ooit de kleuterjufmicrobe opdeed: de Conscienceschool in Oostende, waar ze werkte tot haar pensioen. De laatste 2 jaar als directeur, maar overwegend, en met héél veel liefde: als juf van de “kabouterklas”, bij de 2.5 jarigen. Daar werd ze “Juf Else” genoemd, door de ouders, grootouders en de generaties peutertjes die ze leerde “graag naar school komen”, want dat vond ze het allerbelangrijkste van haar job! Iedereen in de wijk kende juf Else, en ze was, en is nog steeds fier als men haar met die eretitel aanspreekt! Ze trouwde en kreeg twee fantastische zonen, een schoondochter uit de duizend en, in de loop der jaren, een hele rij “kleinkinderen” met een snor en een staart. Een “zittend gat” had ze niet echt want ze vulde haar schaarse vrije uurtjes graag met allerlei vrijwilligerswerk. Nu echter geniet ze van het reizen, rijsttafels klaarmaken voor familie en vrienden, en tijd doorbrengen met haar kinderen. Meer over Juf Else

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrieven van Juf Else

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.