’t Ostends is een vrolijk en kleurrijk taaltje, met uitspraken als “ ‘t is voe je duum in je gat te breekn (het is om razend te worden) en “e snak en e bete kriegen (afgesnauwd worden). Moeilijk te verstaan voor buitenstaanders. Het is West-Vlaams, maar toch net dat beetje anders: platter, doorspekt met woorden uit de visserij, ’t koajs (van aan de kaai, de visserij). Een echte Oostendenoare herken je meteen aan zijn typische “è”: “e visscherine med é blékblow kléd stoeg med één bén in de zéé en med eur andren in een seule woater” (een vissersvrouw in een lichtblauw kleed stond met één been in de zee en met het andere in een emmer water). Wat ze daar deed, geen mens die het weet.
We zijn waarschijnlijk het enige volkje dat de woorden ja en neen vervoegen. Jaa’k (ja ik), joaje, joa’n, jaa me, joa’g, joa’ns… en hetzelfde met neen: nin’k, nainen, nai me, nai je, nain’s. Mijn stiefpa, een Gentenaar, wilde zo graag Ostends praten. Hij deed dappere pogingen met zijn “joaje”, maar echt lukken deed het nooit. ’t Zit gewoon in ons bloed.
Uit nieuwsgierigheid heb ik eens “Ostends” gegoogeld. Wikipedia vat het mooi samen: het Oostends is een West-Vlaamse streektaal die valt onder het Noordzeegermaans, verwant aan Oudfries, Oudengels en Oudsaksisch, en gekenmerkt door typische klankverschuivingen uit de Noordzee-regio. Een uniek stukje taalerfgoed dus, best interessant om eens op te zoeken.
Ik heb een collega, een “aangespoelde”, zoals wij dat zeggen, afkomstig uit Antwerpen. Ze woont hier al even, maar af en toe kijkt ze me nog altijd vragend aan: “Wat zeg je?” Bijvoorbeeld bij “Je kan der gin oend e slag geven.” Omdat we woorden graag aan elkaar plakken en de G als H uitspreken, klinkt dat als “jkater ginoend e slaggevn” (zo rommelig of vol dat je er nauwelijks kan bewegen). Aan mijn toon en volume hoort ze meestal wel dat er iets mis is in de ruimte.
Tegenwoordig is ons taaltje wat minder plat geworden. Invloeden van andere dialecten en van aangespoelden, hebben het wat afgevlakt. Maar het werkt ook omgekeerd: wij nemen woorden over van hen, en zij van ons. Diezelfde collega gebruikt nu zelf al een seule om de sla te wassen.
Vroeger daarentegen kon het “ niet Ostends” praten een obstakel zijn. Je werd bijvoorbeeld pas aanvaard in de vissersfamilie als je de taal van de vistrap sprak. Dezelfde taal creëerdeeen wij-gevoel, een samenhorigheid, het onderscheid tussen de inwoners en een toerist.

