Niet is er toch zo lekker dan vassche gepelde gérnoazn. ‘s nachts gevangen en ‘snoens op je talore (bord).
Een tomate crevette met één ferme klets zelfgemakte mayonaise… daar kan niets tegenop. En dan heb ik het natuurlijk over met de hand gepelde gérnoasjes, niet over die doosjes uit de supermarkt. Of op een warme dag, een portie garnaaltjes met een Rodenbach. “Doar toog je toch je bloot gat voren?”
De garnaaltjes worden direct na de vangst op het schip gekookt, in grote ketels met zeewater waaraan extra zout wordt toegevoegd. De vangst wordt op een grote zeef gelost en gesorteerd. Kleine visjes, zeewier en krabbetjes worden eruit gehaald, en de garnaaltjes gaan meteen de kookpot in. Na een paar minuutjes zijn de lekkernijen klaar en worden ze gespoeld met vers zeewater om zand en slijk te verwijderen. Vroeger gebeurde het zeven met de hand, wat nu machinaal gebeurt, maar het koken zelf gebeurt nog steeds op dezelfde, traditionele manier.
Zoals alles in de visserij evolueerde ook de garnaalvangst, vroeger werd de garnaal gevangen door de strandvisser en nu worden ze met boomkorren opgevist. Vroeger leurden ze met de garnaal en nu verkopen ze die op de computergestuurde veiling. Vroeger werden de garnaaltjes gepeld door huismoeders die garnaaltjes pelden aan de keukentafel om zo een centje bij te verdienen en nu worden ze gepeld door goedkope Marokkaanse werkkrachten in een pel station.
De garnaal is een deel van ons culinair erfgoed. Wat ooit “arme mensen eten” was, is nu een bijna onbetaalbare lekkernij. De prijs wordt bepaald door de schaarste van het aanbod, de vangstbeperkingen en de hoge kosten van de visserij. Maar dat houdt ons niet tegen om met dit goud van de Noordzee de heerlijkste gerechten op tafel te zetten.
Voor je deze lekkernij kan eten moeten ze gepeld worden, een prutswerkje maar de beloning is een smaakbommetje van een paar gram. Een handvul gérnoazn over een krokant gebakken “toengsje”(zeetong) mét buttersause, of verwerkt in gérnoazkroketten of totjespap ( karnemelkpuree), doar lek je toch je vingers voe of.
Iedere streek of kustgemeente kent zijn eigen cullinaire hoogstandjes. “ingeleide roggevlerken of zééhondjes” (roggevleugel en hondshaai in’t zuur) moet je zeker eens geproefd hebben. Dat eet je met “u brunne stutte en ingeleide witte bonen” (bruin brood en witte bonen salade). En wat je zeker moet proberen is “ u vette schulle of gedroogde totte, waarvan dat, os je der in biet dat ‘tvet langs je kinne lopt”. ( gezouten en gedroogde schol of wijting, waarvan als je er in bijt het vet langs je kin drupt). Als kind van een visboer ben ik met die dingen opgegroeid en ik kreeg ipv snoep een stuk totte om op te knauwen. Maar het zijn vergeten gerechten geworden die de jongere generatie niet meer kent, nu hebben we een frigo en diepvries, we moeten niets meer pekelen, drogen of opleggen. Ook op de schepen hebben ze nu ook koeling en kunnen ze alles vers meenemen maar vroeger namen ze wel eens ingeblikt vlees mee waar ze dan eens ter afwisseling iets mee klaarmaakten. Want elke dag vis kon ook vervelen. Zo ontstond “blénde keuns” ‘(zonder konijn), soms ook gekend als lapkoes. Een stoofpot met aardappelen, uien en cornedbeef, klaargemaakt zoals konijn maar zonder konijn.
We worden overspoeld door gerechten en smaken uit heel de wereld, maar de smaken van mijn jeugd, van mijn eigen kuststreek, mogen nooit vergeten worden.

