Bemoeislislijk

Dit bericht is deel 133 van 137 in de reeks Donderdagse dialogen

Het is al woensdag. Tijd liep verloren in wekkers die klonken om op tijd antibiotica- en andere pillen te nemen. Bij de ene moet ik absoluut wel, en bij de andere mag ik absoluut niets eten. De uurtijden tussenin waarop ik wél mag eten mag ik niet per ongeluk vergeten, want het lijf raakt almaar meer volume kwijt. Straks wordt mijn technisch zorgvuldig uitgekozen kledij nog te groot. Dan moet ik die ook weeral vervangen.

In het continuüm van ervaring sinds vorige week stortte ik mee met de rechtertepel regelrecht de duisterste diepten van chronisch existentiële depressie in. De onontkoombaar vertrouwde baseline die tot anker dient. Ze hélpt soms zelfs om vrolijk en vrij in mijn schoenen te blijven staan. Want what the hell zou een mens zo niét gerelativeerd krijgen tot bollocks of the system, denk je? Soms lukt het écht niet. Als ze de kans ziet en me allesoverheersend bij de lurven schiet. Zelfs het allerdroogst sarcasme vanuit cynische blik overgoten met wat vette ironie levert niks nog humor op.

Ik werd geconfronteerd tijdens kinesitherapie met het vel dat scheurde aan het litteken waar mijn moeder haar brievenopener ooit smeet. Ik wist niet eens dat daar een litteken wás. Of ik was het – vast – voor een godweethoeveelste keer vergeten, want why the hell zou een mens dat willen weten? Ik zit ook geen rimpels, of striemen van te dik geweest te zijn, te tellen in het leven.

Vervolgens heb ik een week of langer dagelijks compressen met ontsmettingszalf moeten aanleggen. Dagelijks. Met immuunsysteemonderdrukkende medicatie die vooral huidinfecties in de hand werkt, waar ik sowieso al gevoelig aan ben, moet ik extra voorzichtig met onnozele huidwondjes zijn. Want ik moet voor mezelf zorgen. En de momenten waarop ik moeite heb daarmee, vraagt ze mezelf gedurigaan Waaróm dan? en ik weet niks waarachtig antwoord te verzinnen.

Het antwoord volgt vanzelf in Alwatis, en laat me verstommen:

Een erg zeldzaam voorkomende advertentie, onverwachts in mijn mail, die allerlei oude plannen een korte plotse vlaag van leven geeft. Een sluimerend potentieel dat waakvlammerig wiebelt vol wensen bij alleen al ’t idee van mogelijkheid. Terwijl ik ernaar kijk belt een medemens me vanuit ’t vaag verleden blauw: Dank je. Voor iets dat ik tien jaar geleden deed terwijl ik het zelf niet eens meer weet.

Er zijn er twee of achtentachtig ook heel kwaad op mij, maar daar gaat het niet om. Er is iets verwonderlijks, iets dat instinctief diep ontzag en kippenvel in me afdwingt, aan het toevallige moment waarop de smartphones djingle klinkt. Precies 11:11 op het scherm zien als het gesprek afsluit vermindert dat niet. En nog voor 11:12 verschijnt het veertje van een bonte specht tegen me aangeblazen krijgen van de wind die in de ruisboom zingt doet dat ook niet. Van alle vogels vol veren om me heen, krijg ik eentje van die ene koppige volharder die geduldig doorwerkt tot hij doel bereikt, wiens neurologie darwinaans gaandeweg gevormd wordt om zijn destructieve machiavelliaanse technieken almaar beter hoofd te bieden. Ook dat nuanceert al dat toeval niet.

Onverwoordelijks wenst dat ik nog wat verder leef. Ik heb de plastic, hartsverscheurend ecologisch vervloekte, katheters ondertussen – met veel concentratie en moeite en soms ook fiks wat pijn, herleid tot nog maar 2 à 5 stuks per maand. Zonder dat plassen ooit es echt makkelijk gaat. Ik vind het maar niks, al die grondstoffen en extra rommel in mijn kastjes, voor iets elementairs als nature’s call.

Dat strookt niet met mijn principes. Het wringt met mijn aard. Ge weet dat ik u noch mezelf dat wijsmaak. Die katheters zijn heel wat anders dan de gewoonlijke foutjes die ik wel es maak. Dit is structureel dagdagelijks geconfronteerd worden met een ecologische voetafdruk die veel te groot is in relatie tot wie de mens had kúnnen zijn.

De gevolgen zijn me de mogelijke baten niet langer waard. Het ziet er immers niet naar uit dat de bodembekkenkinétherapeute pijn en last kan wegtoveren, en de kathetermassa in de vuilbak heb ik met aanvaardbare hoeveelheden onder controle. We heb de verdere afspraken gecanceld. Ik mag altijd opnieuw een afspraak bij haar maken als ik denk dat het toch zin zou kunnen hebben. Ook over vijf jaar pas.

Heel goe, want echt het is teveel gedoe. Het is ook veel te moeilijk met dit weer. Ik ben on the run als temperatuurvluchteling. Als dertig graden dreigt, rijd ik – en het voelt echt als om mijn leven te redden – naar een stopcontact. Liefst eentje bij rotsige zeekust of diep in de Ardennen. Op de parking van ’t UZ is er zo geen. Niet dat ik er voorts heb over te klagen, hoor, maar ik wil mijn airco bruikbaar in bereik zonder dat de koelkast uitvalt ’s nachts.

Ik zit perplex geconfronteerd ermee dat ik die borst en tepel niet eens heb bekeken tot ik me ’s avonds ontkleedde. Zó gewend dat de zenuwbanen mij dikke zever verkopen. Ze bedriegen mij. Het idee dat er wat melkklieren en een tepel echt in de rats konden zitten kwam niet eens in me op. Ikke, hypochonder die bij het minste pijntje al squeakt. Zo zeggen sommigen me toch. Maar ondertussen sprak ik, temidden van mijn psychische crisis vol eeuwenoud verdriet, een vrouw die weet hoe het voelt om te bevallen zonder verdoving en die zei me verdorie dat de ontsteking in haar tepels, die ze ooit had, méér pijn deed tot in haar tenen toe.

Awel. Ik kan het onmogelijk eerlijk vergelijken, maar het klonk herkenbaar, en ik neem aan dat die vrouw geen reden heeft om tegen me te liegen. En dát behoorde dan blijkbaar begot niet net tot mijn baseline. Gelukkig niet constant, maar de intens bliksemschichtende kwelling die ik voelde is wel vaker van partij. In mijn lies het vaakst en diepst, en soms in die hele rechterflank van mij. Er is anders ook nooit noemenswaardig op te merken, dus waarom zou ik er nog naar kijken? Toch?

Anyway, ikzelf twijfel daarom toch flink wat aan mijn zogezegde hypochonderigheid. Al dat eye for an eye and a tooth for a tooth, ze kunnen me wat. Ik ga mijn Mercy Seat onder handen nemen. De positie van mijn mini-aircomachientje verbeteren. Niks mis met simpel, en toch zo comfortabel mogelijk, verder leven. I‘ll just keep it up.

Mijn zusje wilde immers heel graag met mij spreken. Ik ook met haar. We probeerden het: de haag tussen ons in, haar rug naar mij gericht terwijl ze hier en daar een takje knipte. Het lukte niet. ’t Rondom was te stresserend voor me. Lawaaierige ritmeloze motorvoertuigen passerend in te wisselend tempo, mijn brein volstrekt in mist, en het gevoel dat piepkleine beestjes mijn hele huidorgaan bevolken langs de binnenkant en op alle gruwelmuzak meedansen. Zij haar gewoonlijke drukbezette overalerte compulsief veiligheidscontrolerende wezen. Wat zijn de dochters van mijn mama elk toch ferm getraumatiseerd geraakt. En wat houd ik van ze.

Voorlopig is er altijd morgen nog om moeilijke beslissingen te nemen.

Misschien nog wel decennia.


Beertje Bernie

Beertje Bernie

Beertje neemt lezers elke donderdag mee in Dídean, het busje waarin ze woont als nomade zolang dat nog kan. Deze woonvorm maakt het mogelijk voor haar om te leven ondanks het gewicht – en het licht – van pervasieve ontwikkelingsstoornissen, chronisch ptsd met dissociatieve kenmerken, en multiple sclerose. Klik hier voor duiding bij soms wat rare woordjes in dit blog. Meer over Beertje Bernie

Donderdagse dialogen

Botanticaïti Strontstilstand

Mis geen enkele blog van deze auteur!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief
van Beertje Bernie

Selecteer een of meerdere nieuwsbrieven:

🖂 Schrijf u hier in voor andere nieuwsbrieven
Wij spammen niet! Lees meer in onze privacy policy


U wilt reageren op deze blogpost? Dat kan op onze facebookpagina!

Vindt u wat u net las interessant? Overweeg dan om u in te schrijven op de nieuwsbrief van deze blog en ontvang een e-mail telkens iets nieuws verschijnt.